Skip to content
1664

Den singende swaen

Willem Swaen

Stem: Amaril mia bella. Ofte: Sulamite! keert weder. Ofte: Ecce homo, ô vader. Siet fol: 137. ACh! waer sullen wy blijven? Wie sal met sijne hulp ons nu gerijven? Wie sal de Pest verdrijven? Wiens heet gebed sal dese droeve tijden Uyt ons' landen doen vlijden? Wie sal die wesen? Wie sal de Pest genesen? Die moet wesen, die moet wesen, die moet wesen gepresen. Wiens heet.

2. Waer sal 'k vinden die Mannen Die op dees tijd met my 't saem willen spannen, Om de Pest te verbannen? Wat seght ick toch, Sy zijn om-hoogh te vinden; Ach! het zijn Godes vrinden Die ons gedachtich Zijn by den Heer almachtich, Die verbidden, die verbidden, die verbidden ons krachtig. 3. 't Is Maria, die Moeder Die eertijds heeft gebaert des werelts Voeder, Jesum onsen Behoeder: 't Is Borromeus, dien aldervroomsten Carel, En der Bisschoppen Parel, Die in sijn leven Door groote liefd' gedreven, Heeft sich selven, heeft sich selven, by de Siecke begeven. 4. Te Milanen regeerden Als Bisschop desen Man, en Hy vermeerden Christi Volck, die Hem eerden; Hy stondt die by, Hy stondt die by tot 't leste Die besmet had de Peste; Soo had sijn sinnen Van buyten en van binnen Gantsch ontsteken, gantsch ontsteken, gantsch onsteken Goods minne. 5. Hoort noch meerder, hoort vrinden, Hoort hoe dat sijn Gemeent' Sint Carel minden, Hoort wat Hy al versinden: Hy nam een strop, met die gingh Hy beladen, Hy versocht Goods genade; Soo gingh langs straten De Parel der Prelaten, Die de sonden, die de sonden, die de sonden seer haten. 6. Wilt uw' ooren verleenen Aen ons, ô Borromeus! hoort hoe wy steenen, Siet hoe bitter wy weenen. Wy soecken hulp, wy soecken uw' gebeden, Wy tot U komen treden; Wilt ons verblijden

En van de Pest bevrijden Die wy bitter, die wy bitter, die wy bitter nu lijden. 7. Wilt aenschouwen ons' zielen O alderwaerdtste Man! siet hoe wy knielen, Ende rondom U krielen. Slaet van om-hoogh op ons uw' soete oogen, Hebt met ons toch meedoogen: Ey! wilt verwerven Dat in den Heer wy sterven, Doet den hemel, doet den hemel, doet den hemel ons erven. VBidt voor ons Heylige Carole, ROp dat wy door uwe voorspraecke van peste, ende alle quade sieckte mogen wesen bevrijt.

GEBED.

HEer bewaert uwe heylige kerck door het geduerigh voorbidden van uwen H. Belijder, en Bisschop Carolus Borromaeus; op dat ghelijck hem de herderlijcke sorgvuldigheyd glorieus gemaeckt heeft; alsoo ons sijne voorspraeke, van peste, ende van alle quade sieckte, na de ziel ende lichaem verlosse, en bevrijde. Door Jesum Christum onsen Heer. Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den singende swaen · Willem Swaen · Poetry Cove