Skip to content
1664

Den singende swaen

Willem Swaen

Stem: Prins Robbert was een Gentilman. Ofte: Een Jonckvrouw die mijn hart doorwondt.

AEMilivs, Cilinia, De Ouders van Remy, Goe E-del-luy in Franciâ, En machtigh rijck daer by; Die hadden noyt een kind gehad, Noch geen gewenste vrucht, Tot dat (de-wijl Montanus bad) Dit woord quam uyt de lucht: Die hadden. 2. Montaen! Montaen! Goods penitent, Seght dese lieden aen, Dat God sijn oogen tot haer wendt Van hoogh uyt 's Hemels baen: Seght dat de Vrouw ontfangen sal Een uytgelese kind; Het welcken van den grooten Al Sal worden seer bemindt.

3. Montanus heeft dit voorgeseyt Aen dese oude Vrouw; Die, als Sy 't hoorden, heeft geschreyt, Vervult met grooten rouw. Sy twijfelden of haer geluck Wel wesen sou soo groot, Dat Sy ontslagen van haer druck Sou worden voor haer dood. 4. Montanus sey, het sal geschie'n Dat 't sock van uwe borst Sijn Kindsche lipjes sal verblie'n, En laven sijn dorst. En ick sal weder mijn gesicht Verkrijgen door het nat, 't Welck suygen sal dit waerdigh Licht Uyt u sock-gevend' Vat. 5. 't Is soo geschiet; Sy heeft gebaert, Sy heeft gebaert een Soon, Een Soon, die Vranckrijck heeft bewaert Van haerder sonden loon: Een Soon, die is genaemt Remys, Verciert met alle deughd; Een Soon die 't Hemels Paradijs Heeft met sijn deughd verheught. 6. Dees Clodovaeum heeft gedoopt, Dees Vranckrijck heeft bekeert. Des, Franschen! Tot dien Heyligh loopt, Die u dus heeft geleert. Remys de Duyvels heeft verjaeght, Hy heeft verweckt de Doo'n, Hy nae uw' zielen heeft gejaeght, En uwer zielen kroon. 7. Dees is 't aen wien des Bisschops staf Gegeven is van God; Dees is 't die vlijtigh, en niet laf Volbrocht heeft Goods gebod. Dees is 't, die op d' oneerbaerheyd Gepreeckt heeft aldermeest:

Met recht: want die sijn sinnen leydt Daer op, die is een beest. 8. Remigivs die heeft den brand Geblust te Reyms in Stad. 't Is wonder hoe dien grooten Sant Voor Vranckrijck altijdt badt. O Vranckrijck! Vranckrijck! houdt in eer Dees wonderbaren Held: Neemt uwen toevlucht tot dien Heer, Als u den Vyandt queldt. 9. Jae toch, het geen ick u vermaen, Dat wil ick selver doen. Laet tot Remys ons t'samen gaen, En geven Hem een soen. Laet seggen ons nu overluydt, Terwijl ons leven duert: Remys! Remys! Als 't leven uyt Sal gaen, tot God ons stuert.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.