Stem: Amaril mia bella. Ofte: Sulamite keert weder. Ofte: Ecce homo, ô Vader! Siet fol: 137. ACh! ach! wat moet ick hooren, Wat droef geluyt komt staechs in mijne ooren! 't Schijnt dat ick word beswooren, Dat ick het moet voor dese reys uytleggen, 't Geen ick heb hooren seggen. Mijn hart opscheurden, Als dit geroep gebeurden, Mijn beminde, mijn beminde, mijn beminde, ick treurden. Dat ick het moet &c.
2. Daer is tot my gekomen, Ey! geeft my toch geloof) 't en zijn gheen droomen, Ick heb het wel vernomen Dit swaer gesucht, Wy zijn met pijn beladen, Ey! mijn vrind, toont genade: Wy zijn in hette, Ey! wilt toch hier op letten, En door 't bidden, en door 't bidden, en door 't bidden beletten. 3. Godes hand heeft geslagen En g' worpen ons in 't vyer: dit doet ons klagen, En bystand van u vragen. Wilt helpen ons, wilt onser toch ontfermen In all' ons bitter kermen; Wilt niet langh wachten, Stuert tot God uw' gedachten, Na wiens wesen, na wiens wesen, na wiens wesen wy trachten. 4. Wy zijn Zielen die lijden In 't Vagevyer torment, wilt voor ons strijden Met gebe'en t' allen tijden. Ghy sult van God seer lichtelijck verwerven, Dat wy 't Hemelrijck erven. Bidt voor ons krachtigh Heer Jesum, God Almachtich, Wilt ons wesen, wilt ons wesen, wilt ons wesen gedachtich. 5. Als met aendacht ick hoorden Dit Vagevyers gesteen, en dese woorden, G'lijck dat voorwaer behoorden: Soo heb ick stracx mijn hart gevoelt genegen Met een in-soet bewegen, Met all' mijn sinnen Wil ick haer helpen binnen In den Hemel, in den Hemel, in den Hemel, vol minne. 6. Hierom heb ick gebeden Voor die soo baden my: met recht en reden Heb ick voor Haer gestreden: Ick heb geseyt, O Heer! wilt 't Haer vergeven, Ey! schenckt Haer 't eeuwich leven.
Ick, knecht misdadich, Bidd' U, O Heer! gestadich, Weest de Zielkens, weest de Zielkens, weest de Zielkens genadich. 7. Laet ons t' samen nu spannen, O Christe-menschen all', als vroome mannen, Voor die van God gebannen Zijn weynich tijd, om hare kleyn misdaden, Die Sy hebben geladen. Laet ons eendrachtich, De Zielkens zijn gedachtich Met gebeden, met gebeden, met gebeden, seer krachtich. 8. Jesu! Heere der Heeren! Voor U wy, op ons knien, nu ons verneeren, Ootmoedich wy begeeren, Dat Ghy belieft uw' gunst te laten dalen In des Vagevyers palen, Op die daer schreyen: Wilt sonder langh verbeyen In den Hemel, in den Hemel, in den Hemel Haer leyen.
Cookies on Poetry Cove