Skip to content
1682

Vreugt- en liefde-sangen

Willem Sluiter

Men kan 't singen als 't voorgaende. 1.

MAllem, waardste na-gebueren, Die by ons ter kerken hoort, Ik verheug my t'allen ueren Om uw yver tot Godts woort. Als de klokken u maar roepen, Trekt gy, tegen 't laatst geluit, In 't gemeen met heele troepen Vroolik en eenparig uit.

2. 't Is dan mooi of leelijk weder, Nat of droog, of warm of kout, Gy komt achter-middaags weder, Mits u noit de gank berouwt. 1. Cor: 15: 58.Luc: 10, 42.Wilt soo voortgaan, sonder wanken, In dit nut en nodig werk. Maakt'et, dat men uwe banken Nimmer leeg siet in de kerk.

3. Brandt u in den heeten, Somer, Op de Mall'mer Haar, de Son, Wordt daar door als-dan niet loomer, Ps: 84, 7: Maer stelt Godt daer tot een bron. Hebt gy, langs die dorde heide, Bladt noch schaduw tot verdek, Ps: 23, 1. 2, 3, 4.Dat dan Godt, met sijn geleide, Tot uw ziels verquikking strekk'.

4.

Of komt u, by Winter-tijden, Daer de suere stuere wint Vinnig in u aansicht snijden, Dat gy dan daer by versint, Hoogl: 2, 11, 12. Hoe na felle winter-vlagen Eens een vreugde-somer naakt, Daer men van verdriet en plagen Openb: 21, vers 4. Nimmer weer wordt aangeraakt.

5.

'k Sing met lust van u, o Mallem, Stemt te samen in met my, Dat het al de lucht door gallem. 'k Segg' het sonder vleyerij; Job: 17, 3.1. Thess: 2. 19. Gy zijt mijne vreugt en kroone, Daar ik moedig roem op draag. Phil: 2: 10. Is 't dan vreemt, dat ik betoone, Hoe uw yver my behaag ?

6.

Soo ick somtijts d'een of d'ander In uw buert besoeken kom, Daatlik zijt gy by malkander, En vergaart u van rondom. 't Vloeit, van achter en van voren, Metter haast ter deuren in, Om wat goets van my te hooren. Dat gaat wonder na mijn sin.

7.

Waarom soud ons sulcks niet passen ? Siet men niet, hoe 't snoo geboeft Spreuk: 1, 10 - - 14. Aan malkander hangt, als klassen, En in 't quade t'saam vertoeft ?

Psal: 111. v: 1.Handl: 2. v: 44Handl: 4, v: 32.Waarom souden dan de vromen, Tot betrrachting van het goet, Ook niet vriendelik t'samen komen, Met een hert en een gemoet ?

8.

Daar door wast dan, aan weer-zijden, Onse liefd' en blijdschap aan, Soo tot spijt van die 't benijden, Als tot lust van die 't verstaan. Jes, 58, 13, 14.Immers wordt des Heeren Rust-dag, Daar wy meest op zijn vergaart, Ons dan tot een zielen-lust-dag, Die ons veel genoegen baart.

9.

Jer: 15, 17.Ps: 69, 13.'k Mag niet sitten, by de sotten, In een luidbaar drinck-gelach, Daar met gabberen en spotten Wordt vergeten all' ontsagh. Wie daar 't lacchen lust, ik sucht 'er, En kan daar niet vroolijk zijn. Liever toev' ik, stil en nuchter, By u, sonder bier of wijn.

10.

Ons staan drooge nuchtre praatjes Van wat goets en soets best aan. Somtijts wordt het vry wat laatjes, Eer wy van malkander gaan. Psal: 104, 33, 34Als w'ons met gesang verquikken, Nu en dan soo wel te pas, Loopen, dunkt ons, all de snikken Van mijn uerwerk veel te ras.

11. Dus te samen neer geseeten, In den ronden kring, by 't vier, Met een vry en bly geweten, 1. Tim: 1, 5.Spr: 15, 15. Maken wy recht goede cier. Maar wanneer wy 's Somers komen, Met meer volcks, en met mooi weer, Onder schaduw van uw boomen, Dat verheucht ons noch veel meer.

12.

Selfs het volck uit groote Steden, Soo 't dit maar eens hoort en siet, Acht hier by dan d'ydelheden Pred: 1, 2.1. Jo: 2, 16: Van all' aardsche grootscheit niet. Sy getuigen, heel bewoogen, Dat haar onse velt-gesanck Heeft ver ruckt en opgetogen Door het aangenaam geklank.

13.

Godt zy lof en prijs gegeven, Handl: 2, 46, 47. Dat wy met eenvoudigheit En verheuging t'samen leven, Daar de ziel in wellust weidt. Psal: 63, 6,Spr. 14, vers: 13. 's Werelts vreucht geeft veel mis-noegen, Ja heeft self in 't lacchen smert: Onse blijdschap, sonder wroegen, Joan: 16, vers 22. Gaat ons lang daar na aan 't hert.

14.

Om u met vermaak te stichten, Selfs wanneer ick van u ben, Schenk ik u mijn Sang-gedichten, 't Af-druk van mijn hert en pen. Col: 3, 16.1. Th: 5, 11Leeft, en singt, met aangenaamheit Sticht en onder-richt malkaar. Heeft'er een wat meer bequaamheydt, Dat zy voor u allegaar.

15.

Wie niet lesen kan, die hoore. Eph: 5, 19.Wie niet singen kan, die spreek. Doch 't en ga niet slechts in d'oore, 2 [...]: 22, 19. Maar het herte werd' ook wek. Mallem, uitgelesen hoekje, Die uw liefde toont aan my, Neemt in dank weer aan dit mijn Gesangen in 40, daar ik dit eertijts voor in geschreeven, en aan die van Mallem gegeven hebbe. Boekje, En gedenkt'er mijner by.

16.

Denkt'er mijner by, veel jaren, Als ick lang al ben ver-rot. Segt dan somtijts; O ! hoe waren Wy te saam verheugt in Godt ? Kan ik dan niet tot u spreken Met mij mont en tong, als nu, Laat dit Boek u dan noch preken. Soo rukt my geen doot van u.

17.

Selfs ook uw nakomelingen, Die noch niet geboren zijn, Konnen soo eens spreken, singen, Of yet hooren van het mijn; Tot dat wy hier na alt'samen Gantsch volkom'lijck zijn vereent, Openb: 19, 6, 7.En niet dan Godts lof beramen, In de Hemelsche Gemeent.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.