Men kan 't singen op de wijse; Valsche ruste van't gheweten, Siet onse Gesangen, Fol. 102. 104. 1.
HAarloo, schoon ghy ons wat verder, Dan ons' andre buerten, woont, 'k Sie nochtans, hoe ghy uw Harder Alle liefd' en gunst betoont. 1. Thess: 5, 12, 13. Gy begeert, na mijn genoegen, Tot geschicklikheit en deugt U in alles mee te voegen, Waer gy immer kont of meugt.
2.
Kom ick u Kappell'ken nadren, Gy kont, sonder Klok-geluit, Haast tot my by-een vergadren. Lust en liefe lokt u uit. Als gy dan, soo mans als vrouwen, Weer-zijds fraai beset uw perk, Lijkt, in 't aangenaam aanschouwen, Uw kapell'ken wel een kerk.
3.
'k Voeg my daar, in alle wijse, Willig na 't begrijp van elk.
1. Cor: 3 vers. 2.'k Voed u, niet met vaste spijse, Maar, als Kinderkens, met melk. 1. Pet: 2, vers. 2, 3.Wilt daar na soo yvrig haken, Groeit 'er soo geneuglik by, Dat gy proeven meugt en smaken, Hoe goedaardig Jesus zy.
4.
vers. 4.Komt soo, na mijns herten wenschen, Tot dien levendigen steen, Wel verworpen van de menschen, Maer by Godt seer dierbaar, treen. Ja wordt gy oock selfs, met eenen, Tot een geestelijck gebouw, Soo als levendige steenen, Datter Godt sijn vreugt aan schouw.
5.
Of nu onse Kerspel-kerke Juist wat verder van u leit, Dat geeft aan gesond' en sterke Klein' of geene moeilikheyt. Dikwils sou een Christen haken, Gen: 24, v: 63. Om langs sulk een soete wegh Sijn gemoet wat te vermaken Met aandachtig overlegh.
6.
Col: 3, 2.Om al't aardsch gepeins te bannen, En uw hert en sin te saam Tot het hemelsch in te spannen, Is die Kerk-weg seer bequaam. Wie met vreugt dien wil passeren, Handel. 8, 27, 39, 't Zy verselschapt, of alleen, Moet, in 't heen-en weder-keeren, Al sijn tijd aen God besteen.
7. O ! hoe ging de schaar, ver-eenigt, Psal: 42, vers: 1. Eertijts met een blijde gang, En de feestelijcke menigt Na Godts huis met vreugden-sang ! Hoe wierdt doe met lof en Psalmen Sulk een lange weg verkort ! Psal: 84, vers: 8. D'eene troep wierd door de galmen Van een ander aangeport.
8.
Haarloo, leert gy ook soo door-gaan, vers: 6, 7. Set u op't gebaande padt. Die altijt op d'effen spoor gaan, Worden niet licht moe noch mat ? Jes: 26, 7.Jes: 40, 31 Die den Heere steeds verwachten Varen opwaarts, als d. 1. gevleugelt, als met vleugelen Eph: 3. 16.gevlerkt, En verkrijgen nieuwe krachten, Daar sijn Geest haer mee versterkt.
9.
Mits gy door uw aardsche luister Elcke Buert' te boven gaat, Blinckt oock, als een licht in 't duyster, Phil: 2, 15.Ps: 110, 3. Meest door heiligheits cieraat. Godt verlicht' u door sijn klaarheit, Dat uw zielen allermeest 1. Pet. 1, 22. In gehoorsaemheit der waarheit Zijn gereinigt door den Geest.
10.
Laat de broederliefde binnen In uw herten vierig zijn, Rom: 12, 10.1. Pet. 1, 22.Rom: 12, 8. Dat gy steeds malkaar meught minnen, Ongeveinst en sonder schijn.
Leeft soo minlik met malkanderen, In uw buerte, nu voortaan, vers. 10.Dat de een altijt den anderen Tragt' in eere voor te gaan.
11.
Soo zult gy, als ik by-wijlen Ook uit liefde t'uwent kom, Dus met yver tot my ylen, En vergaren van rondom. 't Is soo zoet van ons begonnen. Godt verleen' ons sijn gena, Dat wy 't lang vervolgen konnen, En die lust niet af en sta.
12.
Heb: 10, 14, 25.Laat ons op malkanderen merken, Dat wy, met te scherper spoor, Tot de liefd' en goede werken Opgewekt zijn, na als voor. Laat ons onse t'samenkomste Nimmer licht, om 't een of 't aar, Achterlaten; mits de vroomste Daar noch al meer goets vergaar'.
13.
Dat gy met te meer verlangen T'samen tot ons komen meugt, Eph, 5, 10.Ps: 32, 18.Ps: 34, 2.Ps: 104, 34.Hoogl: 1, vers: 4.Sullen wy met Psalm gezangen En veel liedren zijn verheugt. 's Heeren lof, dus uitgeklonken, Sal ons zoet en lieflijk zijn, Meer dan daar men is beschonken Met den allerzoetsten wijn.
14.
Als Godt sag, dat wy soo traaglik Wierden aangeset ter deugt, Luc: 24, 25. Gaf hy ons, soo gansch behaaglik, 't Eel gesank tot meerder vreugt. Maer hoe wordt met alle soetheit, Col: 3, 16. Als veel stemmen zijn gepaart, Uitgebreidt Godts groote goetheit, Psal: 100. 1, &c. En sijn wet met lust bewaert !
15.
Hy, die onder d'Engle rangen Eeuwig woont, woont ook te saam Op. 7, 11. 12Psal: 22, vers. 4. Onder Isr'els lofgesangen, Daar geheiligt wordt sijn naam. Matt: 6, 9. Hierom zal hem ook de woning Zijn beridt door onze stem, Tot een teeken en vertooning Onser liefd' en lust na hem.
16.
Laat u ook mijn Sang-gedichten, In mijn Boekjes t'saam gestelt, Daar toe wijsslik onder-richten, Als gy dus malkaar verselt. Col. 3, 16. 'k Hebb' s'uit liefd' van u gegeven. Haaloo mijn genegen buert, Alles is voor u geschreven Soo veel jaren als het duert.
Cookies on Poetry Cove