Op de Wijse van Psalm 24. De aard is onses Godts.
Of; Psalm 113. Gy kinderen, die den Heer dient vry.
O Heer, mijn hert en is in my,
Gelijk gy weet, door hoovaardy,
Door Waan of trotsheit, niet verheven,
Noch mijne oogen zijn niet hoog.
Ik weet hoe weinigh ik vermoog,
En wil daarom ootmoedig leven.
2. Ook hebb’ ik niet gewandelt, Heer,
Noch ingedrongen, al te veer,
In donker of verborgen dingen,
My al te groot, te swaar en hoog,
En al te wonderlijk in ‘t oog
Voor my geringste der geringen.
3. Soo ‘k mijne ziel niet hebb’ geset
En stil gehouden, na uw wet,
Als een gespeent kint by sijn moeder,
Dat immers noit sich selfs iet acht,
Maar alles van sijn moeder wacht,
Vervolg’ de Nijdt my vry verwoeder.
4. Mijn ziel is, soo als ik bely,
Als een gespeen jong kint in my
Israël hoop ook op den Heere,
Eenvoudig, sonder trotsch beleit,
Van nu aan tot in eeuwigheit,
En geev’ ootmoedig hem all’ eere.