Op de wijse: Wel op, wel op, ik ga ter jagt. Psal.32.11.Dus in onsen Godt verblijdt, Singen wy tot spot en spijt Van de quaden, Die ons smaden, Met malkaar een vroolijk liet. Dat 's geseit; wy achten 't niet. 2. Matt.5.11.Of men ons om 't goede smaa, Daarom laten wy 't niet na, Maar wy trachten Te verachten, Hebr.12.2. 1Cor.16.13. Psal.2.1, 2.Met een mannelijk gemoet, Al wat tegen Christus woedt. 3. Luc.11.23, 24.'t Is doch dien onreinen geest Lang een groot verdriet geweest, Dat de vromen T'samen komen Ep.2.19.Ec.Tot den opbouw van Godts huis. Dat 's den boosen noch een kruis. 4. 't Spijt den Satan boven-al, Psal.100.2. Psal.66.8.Als wy sulk een vreugt-geschal Laten hooren. Kon hy 't stooren,
Ephes.6.11. 2Cor.11.3.Hier ontbrak geen kunst noch list, Die oit schalk te vinden wist. 5. Iac.4.7.Maar de Linker moet van kant Door de sterke wederstant Van dit singen. 't Kan hem dwingen; Luc.8.28. Ep.5.18, 19. Ephes.6.10.Want hy wort met schrik aldaar Iesus Geest en kracht gewaar. 6. Ia hy vreest daar voor soo seer, 1Sam.16.23.Als voor Davis harp wel-eer: Hy moet wijken, En gaan strijken, Als dat hemelsche geluit In sijn nijdig' ooren tuit. 7. Of dan ook sijn godloos rot Psal.137.3.Noch met Sions lied'ren spot, Wat kan 't deeren? Wy begeeren Psal.140.4. Gal.1.10.Menschen, soo vol heet venijn, Niet behagelijk te zijn. 8. Schoon 't de trotste niet verstaan, Psalm 34.3.De sachtmoed'ge hooren 't aan, Met vermaking, Cit.2.12. En versaking Van al 's werelts vreugt en lust, Die de ziele maar ontrust. 9. Phil.3.19. Deu.32.6, 29. Psal.1.1, 2.Godt laat' eenmaal d'aardsche liên Haar onaard'ge dwaasheit sien, Om tot spotten Noit te rotten,
Maar met lust Godts Wet voortaan Dag en nacht wel t'overslaan. 10. Ps.89:16, 17.Salig is, sijn leven-lank, 't Volk, dat van het lofgeklank En dit juichen Weet te tuigen; 't Wandelt al den dag in 't licht Van Godts vriendlijk aangesicht.
Cookies on Poetry Cove