Op de wijse: Laat een ander klagen, kreunen. Siet onse Gesangen, Fol.148. Psalm 95.1.Laat ons, op de beste wijsen, Nu wy hier soo soet alleen Met ons meidskens zijn by-een, Col.3.16. Pred.5.6. Spr.19.16.Godt met vroolijk singen prijsen, Dat geen yd’le praat of klap Vrucht’loos ons den tijt ontsnapp’. 2. Ier.31.4, 13.Geen gewenchter Maagdereijen Konnen ergens zijn vergaart, Dan daar hert en mont, gepaart, Psal.57.8, 9. Ep.5.18, 19.’s Heeren lof met lust verbreijen. Nergens isser beter vreugt Voor de Christelijke jeugt. 3. Beter sal ons dat gelijken, Tot behouding onser eer, Dan als of wy op en neer Spr.7.11. Gen.34.1.Ec.Soo nieuwsgierig gingen kijken, Als eens Dina, die daar door Eer en achting haast verloor. 4. 1.Ioan.2.15. Hoogl.1.3, 4.Laat de werelt and’re lokken, Rechte maagden na den geest Lieven Iesus allermeest, Ioan.10.27.Ia sy loopen Hem, getrokken, Vaardig na, en volgen Hem Op ’t geluit van sijne stem.
5. Hoogl.2.14. Psalm 42.5.Maar wy sullen ook doen hooren Onse stem, die klaar en soet Tot sijn glori klinken moet, Dat s’ hem lieflik mag bekooren. Lustig, rustig, maagden-schaar, Sint den Heere, voor en naar. 6. Maagde-stemmen zijn te waardig, Dan dat ‘s werelts koosery Daar door uitgesongen zy Ies.23.16.Soo lichtvaardig en onaardig. Sulk een onbesint geluit Past alleen een ydeltuit. 7. Phil.4.8. Psal.104.33.Godt, en ’t goedt, en ’t soet, en ’t sticht’lik Kiesen wy tot ons’ gesank, Nu en al ons’ leven lank Ies.23.16. 1Cor.14.20.Niemant lokt ons nu soo licht’lik Tot ontuch’ge liedtjens weer. Neen. Wy zijn soo kintsch niet meer. 8. Eph.5.19, 20. Psal.147.1.Lied’ren, Lofgesangen, Psalmen, Daar Godts eer door wert verbreidt, Geven vry meer lieflikheit. Psalm 22.4.Godt heeft selfs in dese galmen Sulk een lust, dat ook daar by Sijn verblijf en wooning zy. 9. Psalm 68.26.Soo de vrouwen en de maagden In ’t verkooren Israël, Met haar tromm’len, sang, en spel, Psalm 47.2. Ier.31.13.Eertijts onsen Godt behaagden, Is hem onse vreugden-sank Ook niet al soo wel te dank?
10. Ps.148.12, 13.Ia de groote Godt hier boven Wil, dat jonge Maagden Hem Met een opgeheven stem Sullen singen ende loven. Maagde-stemmen dringen door, Datter Godt sijn lof aan hoor’. 11. Open.14.3, 4.Hy geev’ eind’lik ons te leeren ’t Nieuw gesang, dat, voor sijn throon, In sijn rijk, staag even schoon, Sulk maagden quinkeleeren, Die, in Koninklijke staat, ’t Lam navolgen waar het gaat.
Cookies on Poetry Cove