Op de wijse van Psalm 12. Doet ons bystant, &c. Of, Psalm 110. De heer heeft gesproken, &c. Psal.40.13. Ies.53.4, 7. 1Pet.2.22, 23. Ioan.1.29.Hoe groot, hoe swaar, hoe wreed en menigvuldig Is 't lijden, daar gy mede wordt geplaagt, Het welk gy, soo onschuldig en geduldig, ô waar Lam Gods, om onsent wil verdraagt! 2. Luc.22.44. Psalm 22.7. Ioan.18.12, 13, 28. Luc.23.7, 11.Gy strijt, gy sweet, gy bloet, om onse sonden; Gy ligt, gelijk een worm, daar neer gebukt. Gy wordt gesleept, gevangen en gebonden, Van 't een gericht na 't ander toe gerukt.
3. Luc.18,.32, 33 Ies.53.5. Luc.23.25.Gy wordt bespot, bespogen en geslagen, Met scherpe roe'n gegeesselt door de huit; Veroordeelt na der boosen welbehagen, Als arger dan een moordenaar of guit. 4. Phil.2.8. Psal.22.17, 18 Matt.26.56. Matt.27.46.Gy lijdt ter doot, ja tot de kruis-doot selve. Ach! wat al smaat en pijn is hier aan vast! Gy zijt niet slechts verlaten van de elve, Maar wordt door Godts verlating swaarst belast. 5. Klaagl.2.13. Klaagl.1.12. Iob.19.12. Klaagl.1.12.O diepe poel! ô zee van veel elenden! Indien men't maar beschouw en regt bekijk', Soo vallen u de rampen aan met benden: Geen ander smert is uwe smert gelijk. 6. Ies.52.14. Heb.7.22. Ies.53.10. Ies.63.2, 3.wy staan hierom ontset, en moeten ys'len, Dat gy, als borg in onse plaats getreen, U selve soo geheelik laat verbrijs'len, En voor ons t'saam de wijn-pers treet alleen. 7. 1Pet.3.18. Heb.2.14, 15. 1Thess.1.10. Hebr.9.12.Dus moest gy, die hier voor uw volk quaamt lijen, Van't hoogste quaat, van d'eeuw'ge doot en hel, En 's Vaders toorn, ons eens voor al bevrijen Door 't allerswaarst' en uitterste gequel. 8. Rom.5.1, 8, 15, 17. Rom.6.23. 1Cor.6.23.Dus moest gy ons het hoogste goet weer geven, Godts gunst en sijn onmeetlijke gena, Gerechtigheit, en 't eeuwig salig leven; Op dat men sie, hoe dier ons' heil u sta. 9. Esr.9.6. Iud. vers 7. Psal.38.19. Phil.3.10.So 'k door mijn groot' en menigvuld'ge sonden, En sware straf, die 'k daar door wel verdien, Bekommert ben, en vrees' te zijn verslonden, Ik sal op al uw sware lijden sien.
10. Iac.2.10. Psal.38.5, 7.Al wat ik hebb' verschuldt, en is daar tegen, Hoe seer 't my drukt, en menigmaal soo gansch Den moet beneemt, in't minst niet op te wegen. Rom.5.15, 20.'t Mag tegen uw verdienst niet in balans. 11. 2]Pet.1.3, 4.Wat hebt gy uw geloov'gen al geschonken! Wat doet gy, door uw liefd', ons al te goe! Ioan.18.11. Mat.26.39.Dat gy, op ons' gesontheit, hebt gedronken Dien bitt'ren Kelk selfs tot den droesem toe! 12. Ps.116.12, 13.Maar wat sal ik u oit daar voor vergelden? O Heer, ik neem den dank-kelk heuglik op, Hoogl.1.4. Hand.21.13.En sal voortaan uw liefde steeds vermelden; Om welk ik ook graag alle leet verkropp'. 13. Amos 5.15. Ies.43.24. Rom.6.12.Ec. 1Pet.4.1, 2.'k Sal dies te meer de sonden vli'en en haten, Die u soo veel verdriet en smaat aan de'en. 'k Sal over my mijn vlees niet heerschen laten Mits gy soo veel hebt in uw vleesch gele'en. 14. Ies.53.5, 8.Soo wort al uw swaar lijden mijn verblijden, U hoon mijn kroon, uw pijn mijn medicijn, Rom.8.33.Ec.U doen mijn roem, waar door ik't al bestrijden Des vyants trots', en eeuwig uw' sal zijn.
Cookies on Poetry Cove