Op de wijse; Hoe legg' ik hier in dees' ellende: Of; Ach ik ellendig swakke mensche. Siet onse Gesangen, Fol.94. Iob 7:1.Hoe moet de mensch op aarden kampen? Wat overkomt hem al gevaar? Noit is hy vry van kruis of rampen. Psal.42:8. Het een verdriet maakt plaats voor 't aar. Insonderheit zijn 't drie partijen, Die hier de vrome sterk bestrijen. 2. Matt.4:10.Ons' eerste vyand is de Satan. De snoo lang-wemelende Slang, De kromme slomme Leviathan; Iob 1:7. 1Pet.5:8. Openb.12:9. Die nu en immer is te gang, Ia, als een brieschend Leeuw, komt loeren, En wil verslinden of vervoeren.
3. Wie sal voor hem sich konnen wachten? 2Cor.11:3. Ep.6:11, 12. 2Cor.11:14. Psalm 91:3. Die kent sijn diep' arglistigheit, Sijn groot gewelt en sterke krachten, Sijn valschen schijn, waar med' hy vleit? Wie sal ontkomen all' de netten, Die hy ons over-al gaat setten? 4. Ioan.8:44.Hy is van langen tijt ervaren, En in sijn konst als uitgeleert. Gen.3:1.Ec.Het is by-na ses duisent jaren, Dat hy op aarden heeft verkeert: Dus kan hy sijn vergift bereiden Na dat de menschen zijn verscheiden. 5. Luc.11:21.Hy is het, die, soo sterk-gewapent, Sijn vast paleis en hof bewaart, Vers 24.En nimmer rustend is of slapend: Daar hy soo boos en loos van aart, Dat hy kan 't grootste quaat verschoonen, 2Cor.11:14.Sich als des lichts goe Engel toonen. 6. 1Ioa.2:15, 16 Richt.16:14.De tweede vyand is de Werelt, Die, als een valsche Delila, Schoon opgepronkt is en beperelt, En gaat ons met gevlei soo na, Dat s'eind'lik rooft al ons' vermogen, Ia selfs uitsteken laat ons' oogen. 7. Sy houdt ons met gewelt gebonden, Als in een snoo gevankenis, Spr.5:22.Met sterke ketenen der sonden, Waar uit niet wel t'ontkomen is. Col.3:1, 2. 2Tim.4:10.Wy sien beswaarlik na den hemel, Verblindt door al het aardsch gewemel.
8. Wat doet de Werelt ons ontmoeten Genes.4:8. Mat.26:48. 1Sam.20.9, 10. 1Ioan.5:19. 2Tim.3:2.Ec. Al Caïns herten over-al, Als Iudas kussen, Ioabs groeten, Soet in de mont, in 't herte gal! De Werelt is geheel doorslepen Van laster, listen, snoode grepen. 9. Spr.14:15.Men mag wel op sijn gangen letten, Die op de glibbergladde baan Des werelts komt sijn voet te setten. 1Cor.10:12. 1Cor.15:33. Het is wat wonders, blijft men staan, Daar d'ommegank en quade reden Bederven alle goede zeden. 10. By d'eerste twee komt noch een derde, Die al te selden ons verschoont, Een vyand, dien noit is te verde, Rom.7:18. Gal.5:17. Maar, als huis-vyand, by ons woont; Het Vleesch, dat sich niet laat gebieden, Komt, als verrader, ons verspieden. 11. 1Pet.2:11.Dit vleesch, met sijn begeerlikheden, Segt steeds de ziel den oorlog aan, Bestrijdt het tegen alle reden; En, die in desen strijdt kan staan, Spr.16:32.Is sterker dan die hooge wallen En vaste mueren neer doet vallen. 12. 2Chro.20:12.Ach Godt, in ons is geen vermogen Te strijden tegen 't groot getal Dat tegen ons komt opgetogen: Wy weten niet, in dit geval Hoe w' ons bequaamlik sullen dragen; Ons' oogen zijn op u geslagen.
13. Matt.6:13.En leidt ons doch niet in versoeking, Maar maakt ons van den boosen vry; 1Cor.16:13. 2Tim.4:17. 2Cor.2:14. 1Cor.9:24.Dat elk van ons soo, met verkloeking, Den goeden strijdt ten einde stry'. Doet ons in Christo triumpheren, Soo krijgen wy den prijs met eeren.
Cookies on Poetry Cove