Skip to content
1680

Eibergsche sang-lust

Willem Sluiter

Op de wijse: Groote Godt, die d'aardsche goden. Of; Waarom soud' ik met vermaken, &c. Siet onse Gesangen, Fol.86. Siet, hoe aangenaam en goet is 't, Siet hoe lieflik en hoe soet is 't, Dat ook broeders na den geest.

Dus in eendragt t'samen woonen, En malkander liefde toonen Na dat elk vermag op 't meest! 2. 't Is (om 't by iet schoons te keuren) Als de kostlijk' oli-geuren, Als de balsem-salf, wel-eer Op Aarons hooft gegoten, Daar Godt selfs mee wou vergroten 's Hoogepriesters ampt en eer. 3. Als een salf ten hoofd' afvloeijend, En Aarons baart besproeijend, Nederdalend tot den zoom Van sijn priesterlijke kleeren, Daar hy mee tot Godt moest keeren, Ingewijt ten Heiligdom'. 4. 't Is gelijk de dauw in d'uchtend Hermons eed'le berg bevruchtend, En gelijk het suiver vocht Welk op Sions bergen neêr-daalt, Daar de Morgen-Son op weer-straalt, Als se doorbreekt door de locht. 5. Want daar broeders soo eendrachtig Zijn vergaart, werkt Godt ook krachtig. 't Waar geluk is daar bereidt. Godt gebiedt, en wil daar geven Zegen en een salig leven, Nu en tot in eeuwigheit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eibergsche sang-lust · Willem Sluiter · Poetry Cove