Op de wijse: O kers-nacht schooner dan de dagen. Of; Ach! dat mijn hert en mijn gedachten. Of; Moet dan 't beginsel van uw lijden. Siet onse Gesangen, fol.14. en 208. 2Cor.12:2, 4.Myn Godt, hoe is mijn ziel bewogen! S' is als verrukt en opgetogen, Terwijl ik uwe gunst aanschouw, Rom.10:12.Die gy, so milde boven maten, Hebt op uw dienstknecht komen laten. Klaagl.3:23. Hoe groot is uwe liefd' en trouw! 2. Gen.32:10. Matth.8:8. Rom.8:32. 1Ioan.3:16. Galat.3:13. Galat.2:20.Ik ben te slecht en al t'onaardig, En deser eere gansch niet waardig, Dat uwe Soon, uw eenig Kint, Voor my sijn dierbaar bloet en leven, Aan 't smaad'lijk kruis-hout heeft gegeven, En my soo hertlik meent en mint. 3. Dit was een levende vertooning, Ioan.14:23.Dat Iesus in mijn hert sijn wooning Bereiden wil van nu voortaan. 2Pet.1:1. Phil.1:29.Ia, Heer, door 't dierbaar vast gelove, Dat gy uit gunst my geeft van boven, Neem ik dit ongetwijffelt aan. 4. 'k Voel in mijn ziel nu, met verblijden, Phil.3:10. Rom.6:10.De kracht van Iesus doot en lijden. Hy is, voor mijne sond', aan 't kruis,
Wel eens gestroven met veel smerte, Galat.2:20. Ies.57:15.Maar eeuwig leeft hy in mijn herte, Als in sijn eigendom te huis. 5. 2Tim.1:12.Ik weet, dat ik geloov', in waarheit, En dat met sulk een groote klaarheit, Als ik deelachtig ben geweest Erod.12:13. Ope.12:9, 10. 1Tim.2:6.D'onfeilbare genaden-teek'nen. Laat Satan al mijn sult opreek'nen, Sy is voldaan in t'minst en 't meest. 6. Richt.13:23.Heer, soo gy lust hadt my te dooden, Gy hadt my dus niet laten nooden En eten aan uw eigen dis, Noch met mijn oogen en mijn ooren Soo heerlik laten sien en hooren, Luc.19:21. Wat heil dat my geworden is. 7. Psalm 23:5.Dewijl gy voor mijn aangesichte De tafel my soo soet toerichtte, Hebb' ik het sekerste bescheidt, 1Cor.2:12. Rom.5:10. Col.1:20, 21.Wat Iesus my al heeft geschonken. De vyandschap is afgedronken. 't Is al versoent in eeuwigheit. 8. Thess.2:16. Ephes.3:17. 1Cor.1:19. Rom.8:35, 38, 39.Verleen my, ô mijn Godt en Vader, Dat ik door 't waar gelove nader Met hem vereenigt zy en blijf, Soo dat geen noot, gevaar, of rampen, Die oit of oit mijn ziel aanklampen, Sijn liefde weer van my verdrijf. 9. 1Cor.11:26.Laat my mijn Heilands doot en lijden Met lust verkond'gen t'allen tijden, Mtt.25:31. 2Tim.4:1 Tot dat hy komt, in heerlikheit, Om dood' en levende te richten,
Psal.110:1. 2Tim.4:8.Dat all' sijn vyanden eens swichten, Maar juich' al wat sijn komst verbeidt. 10. 1.Thes.5:23.O Godt des vredes, wilt my heil'gen, En over-al mijn wegen veil'gen: Wilt ziel en lijf onstraflik hoên, Tot aan die blijde komst mijns Heeren. 1Thes.5:24.Gy, die my roept, sult, t'uwer eeren, Dit, na uw trouwigheit, ook doen.
Cookies on Poetry Cove