Op de wijse; Komt her zu mir, spricht Gottes Sohn. Of (2. Veersen voor 1. genomen) op de wijse van 't voor-gaande. 1. Ies.50:5.Hoe klaar bewijst gy selve nu, Mijn Heiland, dat uw Vader u Een tong geeft der geleerden, Op dat g' een woordt ter rechter stondt Met moede zielen spreken kondt, Die oit uw gunst begeerden!
2. Matt.11:28.Komt herwaarts, roept gy, allegaar, Die met ondraaglijk ziel-beswaar Vermoeit zijt en beladen; Ik sal u, na uws herten lust, Verleenen ware vreed' en rust. Ioan.1:16. O volheit der genaden! 3. 'k Sal komen. Waarom soud' ik niet, Dewijl gy 't selve my gebiedt? Luc.14:21.Maar nu, als een genoodde gast, Vermoeit en door mijn sond' belast, Heb.4:16. Vrymoedig tot u komen. 4. Ik hebb' aan uwe nooding deel: Psal.40:13. Psal.38:5, 7.Want mijne sonden zijn soo veel, Dat sy my 't hooft doen bukken; Sy zijn my ('k word'et nu gewaar) Gelijk een sware last, te swaar, Door al 't langduerig drukken. 5. Luc.15:21. O soete Iesus, neemt my aan. Laat my niet ongetroost weer gaan. Gy hebt doch noit voor desen Een sondaar, die dus tot u quam, En dit uw lieflijk woort aan-nam, Van u weer afgewesen. 6. Luc.7:37,Ec.De Sondares, die neder viel, En vast aan uwe voeten hiel, Tot dat sy s'hadd' begoten, En soo gebaadt in 't siltig badt Van overvloedig tranen-nat, Kondt gy niet van u stooten.
7. Luc.18:13, 14.De Tollenaar, die niet en dorst Ten hemel sien, maar sloeg sijn borst, Ier.31:19. Psal.51:19. Door schand en schaamt verlegen, En offerd' een gebroken geest, Is niet van u veracht geweest, Maarheeft uw gunst verkregen. 8. Soud' ik dan eerst, soud' ik alleen Ioan.6:37.Van u zijn afgewesen? Neen. 'k Wil op uw Woort vertrouwen; Openb.3:14.Vermits uw selfs getuigenis My tot een vaste zegel is, Dat ik hier op mag bouwen. 9. Wat drukken my mijn sonden meer, Dewijl dat gyse selfs, O Heer, 1Pet.2:24. Col.2:14. Hebt op het hout gedragen? Wat maakt my 't handtschrift noch veel last, Het welk gy een voor al soo vast Hebt aan het kruis geslagen? 10. Rom.8:3. Gal.4:4, 5 Hebr.7:22. Openb.1:5. Psal.119:25. Rom.5:1.En hebt gy niet mijn plaats bekleedt, In alles wat gy deedt en leedt, Als mijn genoegsaam borge? O ja, mijn Heiland. U zy lof. Wanneer mijn ziele kleeft aan 't stof, Beneemt dit al mijn sorge.
Cookies on Poetry Cove