Liefde zoekt Liefde.
1.
Wanneer in 's Waerelds mórgenstond
Het alles in het nieuw kwam pronken,
En 't eerste paar door 't Trouwverbond
De herten deed in min ontvonken;
Daar Liefde van haar' Liefdetroon
Kwam met haar' Tortelduyfjes daalen,
En zetten zelf de Minnekroon
Op beider Hoofd, om meê te praalen.
2.
Terwyl het vers ontlooken groen
Hen voor een Bruiloftsdis verstrekte,
En zy, als op een Bloemfestoen,
Een kuise Liefdegloed verwekte,
Daar 't Pluimgedierte op zuiv're vreugd
Het vrolyk Egtlied kwam te kweelen,
En Bos en Beemden als verheugd
Al ruisend kwam van min te speelen.
3.
De Goude Zon, des Waerelds Oog,
Kwam uit de Oranje mórgendeuren
Langs eenen Diamanten boog,
En aamde duizend frisse geuren,
Op Moeder Evaas lélieschoon;
Waarop haar Ega stond te bloozen,
En boog voor Liefden 's Liefdetroon,
En plukte daar de ontlooken Roozen.