Liefde staat ons by in nood.
1.
Als Hémel, Aard en Océaan
In wraak verbólgen zullen stryên,
En alles dreigt om neêr te slaan,
En hooge Slóten gaan ramyen,
En Wind en Stórmen overal
Op 't schrikkelykst en naarsten huilen
En maak het al tót Puin: waar zal
't Angstvallig Mensdom dan verschuilen?
2.
Waar anders als daar Liefde woont?
In Salems min- en lustwaranden,
Zo ryk met vlammend Goud gekroond,
Daarop steeds duizend Starren branden:
En staat daar met een groot begeer
Al juichende met zielsverlangen:
Om het boetvaardig Mensdom weêr
Door Liefde in haaren arm te ontvangen.
3.
Hoe vrolyk juicht haar Troonpaleis!
Als zy dat uurtje ziet geboren;
Dan klinkt de vreugde reis op reis,
En Heil en Troost komt elk te vooren;
Daar 't driemaal zaalig Geestendom,
Met Cherubyns en Koorjuweelen,
Op 't allerzoetst die vreugd alom,
Op Lugtbazuinen moedig speelen.