Stemme: Langhs de kanten van de Sinne. HOndert duysendt Fransche kroonen Hoe heeft Bacchus my vereert ! Waer met sal ick hem beloonen, Eer dat sijn goed' gunst verkeert ? Wil ick my voor wijngaert planten, Op de berghen is hy goedt: Dat alsoo de gilde-quanten Van my vullen hun ghemoet ? 2. Wil ick my het vel af-stroopen, En bereyden als een vat, Dat-men my soo kan verkoopen Voor het alder-beste nat ? Oft wil ick my gaen begheven Om te wercken in sijn' hof, Spitten, spaden all' mijn leven, Tot sijn eer' en vollen lof ? 3. Siet ick 't gansche lichaem deele Tot den dienst van goeden wijn, Want mijns hoofdens beckeneele Sal my als een schale zijn: En mijn stroot die sal my wesen Als een' langh-ghebeckten pot,
Mijnen arm is op-gheresen Voor een schroeve tot den Godt. 4. Mijnen buyck in Spaensche vellen Als een bocke-huyt bereydt: Gansch mijn lichaem moet ick pellen, Om (ten kortsten eens gheseydt) Altijdt wijn te moghen drincken, Altijdt wijn te wesen vol, Altijdt wijn te moghen schincken, Altijdt wijn te wesen sol. 5. Altijdt in den wijn ghedropen, Soo dient desen Godt ghe-eert, Altijdt dicht in hem ghekropen, Oft hy gansch in my verkeert: Oft hy wijn, en ick de potten, Oft hy pot, en ick den wijn, Gansch ontsinnigh als de sotten, Altijdt dorstigh moet ick zijn. Hondert Satyrs ! wat voor reden Brenght mijn losse tongh' te baen ? Ben ick gansch berooft van seden, Ben ick vol van sotten waen, Is den droes my in de leden, Die my soo dwaes-sinnigh maect ? Neen, den Godt dient soo ghebeden, Wijn by sotheydt beter smaeckt.
Cookies on Poetry Cove