Zesde zang. Bladz. 136.
Geen Arts, wien 't lijdend hart voor ware redding dankte, Die immer in 't bestek van zijn genezing wankte!
Zie daar wat het zij, 't geen de ware Geneeskunst de indicatie noemt. - Doch, waar ik in mijne omvandeling rondgedwaald heb, nergens byna heb ik buitenslands Artsen gevonden die niet
in 't bestek van hun genezing wankten.
In tegendeel, daaglijks nieuwe voorschriften, telkens van tegenstrijdigen aart en werking, naar mate de toevallen, door 't eene middel verwekt, tot het andere schenen te noodzaken; daaglijks een ander symptoma waar men tegen arbeidde, enz. enz. (een waarachtig Geneeskundige kan het overige licht raden,) zie daar wat ik zag. En dus werd alle geregeld beloop in de ziekte, alle crisis, alle prognosticatie verloren, verstoord, en onmooglijk gemaakt; en de Natuur bezweek onder de geweldadigheden die men haar aandeed, tot zy, overmeesterd, niet door de ziekte (die somwijlen niet veel te beduiden had, en, aan zich-zelve overgelaten, in weinige dagen haar oorsprong had weggenomen) maar door de geneesmiddelen, het eindelijk na lang tegenworstelens opgaf. - En zoodanige Artsen waren in den smaak, werden gezocht, en toegejuicht! Dit droeg in het byzonder den naam
van Brownianismus in Duitschland, en won meer en meer veld. - Wat heb ik my somwijlen moeten schamen over de Consultatien van eerste Koninklijke en Vorstelijke Leibmedici, zoo zy heeten en deels waren! - En, hoe vele jongelingen van hoop heb ik niet op deze wijze zien omkomen! Hoe vele aanzienlijke geslachten van afkomst beroofd! Mijn hart bloedt by de herinnering.
Bladz. 140.
‘Zie daar wat damp vermag, die 's lichaams hol besluit!
‘Sic et membra solent auras includere venis Quae penitus mersae, cum rursus abire laborant, Verberibus rimantur iter’ &c.
Dus Petronius in een Fragment. - Maar zou hier niet in de derde regel murmuribus te lezen zijn? - [Fit clauso gurgite murmur, zegt Virgilius.) Dan, het is hier de plaats niet, om dit te onderzoeken.
Bladz. 142.
't Zij zachte stroking met de levenwarme hand ---- den huid uit d' onbeweegbren stand Verwrikke, en rimpel'.
Door een drukfeil staat in den text stoking voor stroking gedrukt;
waarop men gelieve verdacht te zijn. - In 't byzonder heb ik in Duitschland eene buitengewone handigheid waargenomen in het wrijven en tot rimpeling brengen van het gespannen lendendeel van de buik, vooral in kinderen, die van opzetting van winden leden.
Bladz. 143.
't Zij dat dit prikklend vuur de spierkracht feller wekt; 't Zij dat verlies van vocht in de uitgerekte vaten Der veezlen stijfheid breek, om werking toe te laten.
Het een en ander koomt hier ongetwijseld samen, en ik wenschte geen van beide uit te sluiten, doch het afleiden van vocht is zekerlijk (bedrieg ik my niet) in dit geval het eerste dat in aanmerking koomt, en de groud van het andere.
Aldaar.
Het vuur in 't ingewand, Gemaald met vlek by vlek, in 't purper zwart gebrand.
Deze uitwerksels van de Opium in ontsteking der ingewanden zijn by de opening der lijken te dikwijls waargenomen, en Sydenham heeft daar reeds voor gewaarschouwd. - Doch leest men dien nog?
Bladz. 144.
Misleidend flikkren van de Eubeesche strandrotstoren, enz.
Vondel, Palamedes, V Bedrijf:
‘ De Vader Nauplius, bedroeft in zyne ziel, Zal op de Eubéër kust de wederkomst der Greecken Zoo ras niet riecken, of hy laet een toorts ontsteecken, En licht in zee van 't slot, dat, steil en hoogh gebout, Op 's berghs verheve kruin, van wederzy beschout Een bare zee, wier diepe en holle watren woelen, D'Eilanden allesins en vasten gront bespoelen. De stuurliên van de vloot, verleit door deze toorts, Zich geven derwaert aen, daer ze al te zamen voorts, In plaetse van den noot en lijfsgevaer t'ontslippen, Vervallen in 't gedruisch der Kaphareesche klippen, En 't luidende gehuil van dien verbolgen vloet, Die stadig barnende op de blinde klippen woedt. Daer houdt gerechte Wraek d'ontrampeneerde schepen Bezet, door rots en plaet, als van haer hant gegreepen: Of met een' dijck bewelt van zant, dat hallef drijft, En by gebreck van vloet, hen sloopt en stukken wrijft: Of achter driftig, voor, gestrant op harde kaien:
Of stootze aen splinters door den draeistroom, in het zwaien. De zeeliên vloecken d' onherbergelijcke ree, En haeten 't drooge lant, en roepen om de zee’, enz.
Zie daar, wat Poëzy heeten mag. Wie in deze verzen aan eenige kleinigheden hangen blijft, en niet verrukt uitroept; dit 's schoon; die leze de mijnen niet! Altijd vallen my de woorden van Eumolpus by Petronius in: ‘Caeteri aut non viderunt viam qua iretur ad carmen, ‘aut visam timuerunt calcare.’ (Men vergelijke Senecaas Agamemnon.)
Inderdaad, men moet het bekennen, in spijt van onze roemzuchtige en, als het op stoffen aankomt, zoo ruimschoots zeilende Eeuw, en met de volkomenste uitstorting van 't hart, roep ik 't uit in de eigen woorden van den kundigen Schrijver der gekroonde Prijsverhandeling over de vorderingen en verachteringen der Nederduitsche Dichtkunde gedurende de Achttiende Eeuw, by de Hollandsche Maatschappy van Fraaie Kunsten en Wetenschappen, den Heer Jeronimo de Vries, wien beide de Nederduitsche en Oude Klassische Poëzy in het bloed zitten: ‘Een tweede Vondel is my nog niet voorgekoomen; en wie toch zou zich aan hem gelijk durven verklaaren? - De Achttiende Eeuw voorwaar zal hem in den kring zijner vernuften te vergeefs zoeken.’ - Maar zal dan de nieuw ontluikende Negentiende dat wonder voortbrengen? Ten minste moet er meer waarachtig aanschou-wend gevoel voor het ware schoon, minder hypothetische en arbitraire Theorie, en (dat men dit niet vergete!) die rijke bewatering van een' alles vruchtbaarmakenden stroom, waar van ons de zelfde Petronius spreekt, en die zelfsvereeniging met de heerlijke voorbeelden der Oudheid, waar door men niet nabootst of navolgt, maar herteelt wat zy voor ons hervoortbracht, in de zielen der Dichters, of van die het zich verbeelden te zijn, overgaan, en (mag ik 't dus uitdrukken) de geheele Poëetische Athmosfeer die men ademt, veranderen; doch hier naar staat, immers tot noch, de wind niet.
Bladz. 146.
Ach! purperplassen, die mijn ouderdom betreurt! enz.
Niemand is grooter voorstander, dan ik, van de aderlating. Maar wat haar misbruik zij, heb ik boven alle maat ondervonden, en zelfs is zy my tot eene doorgaande behoefte, en gedurige toevlucht in alle soort van lyden geworden.
Bladz. 148.
Veeleer Zou 't licht van 's Hemels pool zich domplen in het meir, De woeste Hemeldraak beerin en wagendrijver Vervolgen door het nat, enz.
Huydecoper, in zijne Proeve van Taal- en Dichtkunde, geeft zich veel arbeids om dezen Hemeldraak (door Vondel in Ovidius III. Boek v. 56, slang genoemd) zoo van de Hydra, als van de slang des slang- betemmers te doen onderscheiden; en hy neemt de moeite om ten dien einde eenige verzen van Manilius over te zetten. Die lust heeft, twee schoone plaatsen, door, ik zal niet zeggen volstrekt slechte, maar ondichterlijke en zwaarmoedige verzen, ontluisterd te zien, sla 't genoemde werk op, I Deel, bladz. 436 en 437 van de Uitgave des bekwamen van Lelyvelds. Zonder praalzucht, geloove ik den genen die het oorspronklijk niet vergelijken kunnen, tot mijne Maniliaansche Naamlijst der Gestarnten (want anders is zy niet, en voor hooger koomt zy niet t' scheep) te mogen verwijzen, die onder den tytel van Starrenkennis eene plaats in mijn Mengelpoëzy bekleedt, doch welke (men gelieve 't in 't oog te houden!) juist geene overbrenging van het Latijn ten doel had.
Meer had de goede Huydecoper aan zijnen Lezer verdiend, hy die het zoo wel meende, die zoo rijk van belezenheid was, zoo veel ware Dichtkunst had (hoe zeer dan ook van een' bepaalden aart), en aan wien, ondanks zijne in alles heerschende Sofistery, onze taal meer verplicht is, dan zijn grootste bewonderaars, by wie zijn gezag voor bewijs en zijne uitspraak voor hemelval geldt, of gevoelen of weten; indien hy in plaatse hier van, slechts weinige regelen later, Vondels
wartaal ontwikkeld en te recht gewezen had, daar dees, niet begrijpende dat by de Ouden, het Tooneel met het ophalen van 't gordijn gesloten, met het neêrvallen geopend werd, de geschilderde beelden van 't valdoek voor Tooneelisten neemt, en dus de Spelers als by de hairen van onder den grond, op het Tooneel doet sleepen. Doch de oudheidkennis zat in die dagen zoo heel dik niet op onze Poëten. Wy hopen dat het, met de algemeene Verlichting, nu beter zij. - Zie hier Vondels uitdrukking: III B.v. III.
‘Dus komen op het feest de tooneelisten boven, Zoo dra de Schouwburgh het tapijt heeft opgeschoven, Met geen onaangenaam gevolg. Eerst aangezicht, Dan de overige leên en voeten in het licht, Tot datze op 't hoogh tooneel stant houden voor onze oogen.’
Ovidius heeft:
‘Sic, ubi tolluntur festis aulaea theatris, Surgere signa solent, primumque ostendere vultum, Caetera paullatim; placidoque educta tenore Tota patent, imoque pedes in margine ponunt.
Dat is:
Dus rijst, als voor 't Tooneel het doek wordt opgetogen, Het beeldwerk lieverleê voor 's volks verwonderde oogen, En, klimmende uit den vloer, heft hair en schedeltop, Wat later, hals en borst, met langzaam steigren op,
Om eindlijk gants ontrold, op d' onderrand te stappen.
Inderdaad, niets kan duidelijker zijn, noch volkomener overeenstemmen met het oprijzen der gewapenden uit de aarde, voor Cadmus:
- Naauwlijks dreef zijn hand de ploegschaar door de klont, En strooide 't menschenzaad, de tanden, in den grond, Of, (ongelooflijk stuk!) men ziet de kluit bewegen, En rijen lansenstaal ten voren uitgestegen; Dan vederbosch by bosch op schitterend helmet; Nu hals en schouders, van de harnasplaat omzet; En armen, toegerust met zwaard en beukelaren, Daar de oogst in krijgers rijst, in plaats van korenairen.
Of liever, hooren wy Vondels verzen, die altijd een rondheid en eigen' natuurlijken zwier hebben, waar niemand nog by kon.
‘De helt, haer woort getroost, Gehoorzaemt, slaet den ploegh in 't lant op haer beveelen, En zaeit den draeketant om menschen aen te teelen. Terstont begon de klay te leven meer en meer, En (wie gelooft dit?) uit de vore krijghsgeweer, Te groeien, strax hierna ook schuddende helmetten,
En hellemkammen, die zich in slaghorde zetten, Toen schouders, borsten, en de vreeslijke oorlogszwarm, Een teelt van mannen, met den beuklaer aen den arm. Dus komen op het feest de tooneelisten boven,’ enz.
Ongelukkig kende Vondel geen' anderen Schouwburg dan den Amsterdamschen, en dit maakte hem de Latijnsche gelijkenis onverstaanbaar.
Bladz, 151.
En de aftrek van het bloed door 't warme waterbad. Naar voet of handen.
Na 't geen ik, vooral in my-zelven (en ik kan er nog een enkel voorbeeld byvoegen), van het uitwerksel der voetbaden in zeer aandoenlijke gestellen ondervonden heb, durf ik byna deze plaats niet onaangeroerd voorbystappen. Men leze, drie regels te rug gaande:
't Is hier, dat prikklen op de buitendeelen geldt. De bladertrekking, die op nek of schouderbladen Het hoofd ontlasten kan, van vochten overladen; Of 't warme handbad. Want het wonderbaar verband Van 't vaatgestel des breins met dat van 't ingewand, Te aandoenlijk voor 't gevoel der voetplantwarmte en koude,
Bedroog wie te onbepaald aan 't voetwed zich vertrouwde (Dat mooglijk zuisling schiep, die tot verbijstring steeg), Of hulp by d' omslag zocht van 't gistingwekkend deeg. 't Is hier geene ijdle vrees; ik zag uit kittelingen, Te zwak om dienst te doen, het hevigst leed ontspringen; Het slechts getergde kwaad, als ware 't, aangezet; Ja, onder 't wicht des leeds verstand en geest verplet; En de aderoopning dan het eenigst ter verlichting, Dat stuip of dolheid weerde of brein- en vliesbrandstichting.
Bladz. 154.
Beroerte, wen zich 't brein als van een vreemd geweld Voelt saamgedrukt door 't bloed dat in zijne aders zwelt, enz.
Lucretius Lib. III. v. 466:
‘Gravi lethargo fertur in altum Aeternumque soporem, oculis nutuque cadenti: Unde neque exaudit voces, neque noscere vultus Illorum potis est, ad vitam qui revocantes Circumstant, lacrymis rorantes ora genasque.
Bladz. 161.
Haar doel is edel, ja! De tederste van driën Is moedigst en gereedst.
Ovidius, Metam. Lib. VII. vs. 339.
‘His, ut quaeque pia est, hortatibus impia prima est.’
Bladz. 162.
-- ‘Snavelbeen en afgeplukt gevleugelt’ Van kraai en vledermuis enz.
Metam. Ib. v. 268.
Addit et exceptas Luna pernocte pruïnas, Et Strygis infames, ipsis cum carnibus, alas; - Vivacisque jecur cervi; quibus insuper addit Ora caputque novem cornicis secula passae.
Vergelijk v. 320. Voor 't overige, men ziet licht, dat ik in 't verhaal Ovidius niet gevolgd ben. - Men raadplege Apollodorus, en Hyginus, en late my 't Dichterlijk recht van eigen verbeelding. - Ware mijn geheugen onvervallen gebleven, ik had wellicht mijnen Poëtischen voorganger getrouwer op den voet getreden. Dit is een genoegen, dat men zich
niet weigeren kan, wanneer men zich eene schoone plaats duidelijk herinnert. Maar een boek op te slaan, om er iets uit te ontleenen, 't geen niet reeds in onze denkbeelden zoo onafscheidlijk ingeweven is, dat het er uit voort schijnt te vloeien, dit ware wel het meest Antipoëtisch vergrijp, dat men zou kunnen begaan, en de ware weg om niets goeds voort te brengen.
Bladz. 163.
En zuchtend nederzeeg op zijner kindren graf.
Ja, dus was 't bestemd:
'k Moest hier uit zoo verre streken, uit een afgelegen volk, 'k Moest hier door de woeste baren, over stroom en waterkolk, 'k Moest hier slechts het zand gaan zoeken, dat uw lijkjen dekken mocht! Hier uw asch een graf te ontsluiten, dit was alles wat ik zocht! 'k Moest mijn Vaderland hervinden om te sterven op uw graf! 'k Was uw doodkist, dierbaar wichtjen, dat dit Vaderland my gaf! 't Was uw doodkist -! Groote hemel! ô vergeef eens Vaders hart Wat het opwerp', wat het smoore, in de wanhoop van zijn smart! Ach het harte van een' Vader - God, gy kent, gy ziet het door! Waar waar is hy, die zijn kinders, en zijn reden niet, verloor?
Doch ik zal mijnen Lezer niet meer van dit Treurlied, schokkend zoo er een is, afschrijven, waar in niets dan de loutere en troost-looze droefheid zich uit. - Mijn Dichtkunst, ik snikte 't den Koning nog onlangs toe (hem, die op onze Vaderlandsche Poëzy zoo veel prijs stelt!) by gelijke hartwonde, en ik mag het hier nog by-voegen, om te eindigen, gelijk ik begonnen heb.
Mijn Dichtkunst is gevoel, is onbedwongen schreien. Sints lang heeft ze, in den rouw mistroostig neêrgebukt, Het praalziek kunstsieraad van hoofd en borst gerukt; En knikkende ouderdom, aan krankten prijs gegeven, Mijn' heeschen gorgeltoon in d' ademtocht doen beven, Mijn oog verduisterd, en in 't uitgemergeld hoofd Het tintlend vonkjen der verbeelding uitgedoofd.- Laat andren 't lieve wicht met Cherubsvlerkjens sieren, Het graf, waar ik op zwijm, bekransen met lauwrieren, Het zieltjen hemelwaart verzellen door de lucht, Van Englen ondersteund, verwelkoomd in zijn vlucht; Zijn' schedel van den glans der ongeschapen stralen Zien schittren met een pracht, waarby geen scepters halen, En bieden u den groet van 's wichtjens lieven lach, Daar 't in den gloed verdwijnt van 's Hemels hellen dag, En hier zijn' Heiland, daar zijn' nagelaten panden
De handen toereikt, die van starrenflonkring branden. Helaas! ik wenk hun toe, maar stomme smart-alleen Is alles wat my bleef in mijn rampzaligheên.
Helaas!
- Tranen...? Zijn er die als tranen van een' Vader?
Voorzeker neen! En de ongelukkige houdt zoo vast aan het weinige dat hem aan de aarde verbindt! Hoe dan, aan zijn kinderen?
ô Zoo ik my de oogenblikken van dat verlies nog herinnere! Ik kan het niet; doch mogen eenige Coupletten uit mijn' jongsten Geboortegroet aan myne Egade, hier volstaan.
Ach! wat had dees schokkende Aarde Nog voor u of my van waarde, Dan een eenzaam plekjen grond, Waar wy leefden voor ons beiden, Van een wareld afgescheiden, Die voor ons niet meet bestond?
Waar wy storm en leed vergaten, 't Schamel brood der onschuld aten, Met het dankbaar oog op God! Lieve telgjens zagen groeien,
En den zegen nedervloeien, Zonder kommer voor ons lot!
Waar ons de arbeid onzer handen, 't Lachjen onzer liefdepanden, 's Harten rust by eenzaamheid, 's Levens nooddruft mocht doen smaken, En het traantjen dierbaar maken, Dat gevoel van weldaad schreit!
Ach! dit had ons 't ydel harte, Als het eind van zoo veel smarte, In een' zoeten droom verbeeld! Leyden, 't stil en vredig Leyden, Zou ons zachte rozen spreiden; Alle jammer was geheeld!
Wy herademden (ô Hemel!) Van het wareldlijk gewemel, In der zanggodinnen schoot. Ach! de voorboô allen lijdens Stoort den schemer diens verblijdens, Lieve Alexis, door uw dood.
'k Zwijm van weedom. In uw armen Voelt mijn boezem Gods erbarmen;
'k Heb uw troost, ik lij en leef. Lieve! ja, mijn ziel wil hopen: - Maar een vonk moet Leyden slopen, En neemt alles wat my bleef.
Waar nu, ach! waar heen gevloden? Die geen schuilplaats by uw dooden, Dierbaar Leyden, beuren mocht - Die uw bloedig puin doorzweven, En niet danken kon voor 't leven - ô Waar vindt die ademtocht!
Hoe! het middelpunt der plagen Waar ik 't bloeien van mijn dagen Vijftien jaar verwelken zag; (Afgrond van herinneringen, Die my hart en keel verwringen) Dit mijn toevlucht, Hemel, ach!
Doch ook daar leert Godbetrouwen 't Christlijk harte moed te houen. Geef slechts rust, genadig God! - Rust? - Ach rust in 't helsche woelen ...! - - - - - - -
Zalig, die op holle rotsen, By des afgronds dompig klotsen, 't Hoofd mag duiken in haar kloof! Die en wind en schorre meeuwen Om zijn peuluw heen hoort schreeuwen, Voor den Haagschen straatkreet doof!
Zalig, die met kraai en wolven, Van de winden, van de golven, Voedsel vraagt, of honger lijdt: Geenen vijand dan de gieren Om zijn' stranddisch heen ziet zwieren, En een nijdig menschdom mijdt!
Die zich in zijn stroojen wallen, 's Hemels gift niet ziet vergallen, Noch de weldaad van zijn Vorst. Die in vreê den Ongezienen Met een stil gemoed mag dienen, Zonder wrevel in de borst!
ô Mijn waarde, dat wy 't mochten! God ons leven wou verknochten, Aan dat eenig, eenig goed!
Maar, ô neen, wy moeten treuren, En ons eigen hart verscheuren! Drinken tranen! schreien bloed!
Ja, het uitzicht is verloren, Dat mijn Grijsheid scheen beschoren, Op een troostvol avonduur: In een nietig, werkloos kwijnen Moet mijn levensdag verdwijnen, Altijd somber, altijd guur.
Ja, hy mag geen rijpende airen Van zijn' zonneschijn zien gaâren Door een dierbaar Vaderland. Treurig zinkt hy in de kimmen, En de hoop van zijn ontglimmen Ligt verstrooid in 't barre zand.
't Luttel van dat geestvermogen Dat my 's Hemels mededogen Ons ter redding overliet; Daar ik 't vreedzaam brood van wachtte, (Hartverscheurende gedachte!) Ach, dat alles is te niet.
'k Voel my, nutloos pak der aarde, (Horzel in Gods honinggaarde) Ieder beet op 't harte gloên. 'k Moet, voor nooddruft, steenen zwelgen, 'k Moet en u, en onze telgen, Ach! met bloote giften voên.
Zoo, zoo jaagt men - uit meêdogen? Neen, verachting voor zijn pogen - 't Nutloos ploegpaard in de wei: Laat hem, voor een dienstrijk zweeten, Zich de dood in 't klaver eeten. 'k Voel die weldaad, ja, en schrei!
Ach! daar wring ik dan de handen, Knars en sla verwoede tanden In de sponde van mijn bed: Roep tot God met angstig kermen: Maar geen uitkomst, geen ontfermen! Maar geen Almacht meer, die redt!
Dan met mijne ramp beladen, Zie ik u in traden baden, En die tranen...! ô mijn hart! Ja, die koken my en branden
In het holst der ingewanden, En verdubbelen mijn smart!
Zag ik daarom jeugd en krachten In de strengste vlijt versmachten, Dat mijn vroegvergrijsde hoofd Neêrgebogen van zijn kwalen, Eerloos zou ten grave dalen Van zijn hoogste doel beroofd!
Dat ik aan de later Neeven Niet een duurzaam blijk zou geven Dat ik eens voor hun bestond! Hun ten nut een leven endde, Dat geen ander doelwit kende, Dan waar God wy toe verbond!
Einde.
Cookies on Poetry Cove