Derde zang. Bladz. 55.
Waar ben ik? Welk een nacht, omhuld met tastbre dampen, enz.
Indien de Tooneelen, hier voorgesteld, aaklig zijn, 't is de aart der zaak, die dit meêbrengt; doch wellicht vindt men ze duister. Men zegge my echter, zoo de Allegorie al te duidelijk sprak, ging dan de geheele kracht der Poëtische schildering niet verloren?
In eene zeer klare Allegorie is het onbetwistbaar, dat de Lezer te gelijker tijd aan het beeld en aan het beteekende denkt, en het laatste hem (is het onderwerp belangrijk) wel het meest trekken zal. Wat moet dit voortbrengen? De geheele verdwijning van het Poëtisch genoegen; of ten allerminste deszelfs verstooring, door een gestadig hinken van de aandacht als op twee krukken, terwijl zy zich aan geen van beide durft overgeven. - Van daar de koudheid en 't vervelende van genoegzaam alle zoogenoemde zinnespelen op het tooneel. En ik zou volmondig van alle zeggen, hadden niet eenige Dichters onder die benoeming inderdaad gewone menschlijke individus voorgesteld, die slechts Allegorische namen droegen, en dus, tot dit vak niet behoorende, daar echter ondergesteld worden. - Wat dan? - Geene Allegorie! of, heeft men ze noodig, eene zoodanige, waarin zich, terwijl men haar leest, de beteekende zaak niet opdringt! Eene zoo-danige, als de Mythologie der Ouden! - Edoch het geen hier voorgesteld wordt heeft niets met de Mythologie der Ouden gemeen. - Ik beken het; maar het zijn hier bloote verschijningen, die alle de twijfelachtigheid van een' droom moesten hebben, zouden zy haren aart niet te buiten gaan.
Bladz. 60.
Het gillende ach en wee, het zuchten, kermen, janken, enz.
Dante, l'Inferno, Canto III.
‘Quivi sospiri, pianti, et alti guai Risonavan per l'aer senza stelle; Perch 'i 'al cominciar ne lagrimai. Diverse lingue; horribili favelle; Parole di dolore; accenti d' ira; Voci alte e fioche, e suon di man con elle, Facevan un tumulto; il qual s'aggira Sempre 'n quell' aria,’ &c.
Aldaar.
Die intreedt, legg' de hoop, voor eeuwig, eeuwig, af!
Dante, als boven. 't Geheel opschrift by hem luidt dus, en wat lang:
‘Per me si và ne la citta dolente, Per me si và ne l'eterno dolore, Per me si và tra la perduta gente. Giustitia mosse 'l mio alto fattore: Fecemi la divina potestate, La somma sapienza, e 'l primo amore. Dinanzi a me non fur cose create, Se non eterne; et io eterno duro. Lasciate ogni speranza, voi, che 'ntrate!’
Aldaar.
'k Zag om my: 'k zag de koets waar in de zorgen baren, enz.
Virgilius, Aen. Lib. VI. v. 274, seqq.
‘Luctus et ultrices posuere cubilia Curae: Pallentesque habitant Morbi, tristisque Senectus, Et Metus, et malesuada Fames, ac turpis Egestas, (Terribiles visu formae!) Letumque, Labosque: -- mortiferumque adverso in limine Bellum, Ferreique Eumenidum thalami, et Discordia demens Vipereum crinem vittis innexa cruentis.’ ‘- - - - - Multaque praeterea variarum monstra ferarum,
Centauri in foribus stabulant, Scyllaeque biformes, Et centumgeminus Briareus, ac bellua Lernae Horrendum stridens, flammisque armata Chimaera; Gorgones, Harpyiaeque, et forma tricorporis umbrae.’
En verder, v. 554:
- ‘Stat ferrea turris ad auras; Tisiphoneque sedens, palla subcincta cruenta, Vestibulum exsomnis servat noctesque diesque.
Voorts:
Hinc exaudiri gemitus, et saeva sonare Verbera; tum stridor ferri, tractaeque catenae.’
Bladz. 63.
De ontelbre zanden, enz.
Virg. Georg. II. v. 103.
‘Sed neque quam multae species, nec nomina quae sint, Est numerus; neque enim numero comprendere refert; Quem qui scire velit, Libyci velit aequoris idem Discere quam multae Zephyro turbentur arenae; Aut &c.
Bladz. 64.
Ja had ik duizenden van tongen van metaal, enz.
Virg. ib. VI. v. 625.
‘Non, mihi si linguae centum sint, oraque centum, Ferrea vox, - - - - - - Omnia poenarum percurrere nomina possim.’
En Homerus Il. v. 489:
᾽Ουδ᾽ ἔι μοι δέκα μὲν γλῶσσαι, δέκα δὲ στόμας᾽ εἶεν, Φωνὴ δ᾽ ἀρρηκτος, χάλκεον δε μοι ἦτορ ἐνείη.
Bladz. 67.
In ons de zetel, 't zaad, de ontwikkling van dat kwaad, Waar 't kranke lijf van treurt, en lijdend door vergaat. Ons schuilt de dood in 't bloed, en wandelt door onze aderen, enz.
Anders Lucretius, Lib. VI. v. 1088, seqq.
‘Atque ea vis omnis morborum, pestilitasque, Aut extrinsecus (ut nubes nebulaeque) superne Per coelum veniunt, aut ipsâ saepe coorta De terra surgunt, &c.
En verder:
‘Aut in aquas cadit, aut fruges persidit in ipsas,
Aut alios hominum pastus, pecudumque cibatus, Aut etiam suspensa manet vis aëre in ipso, Et cum spirantis mistas hinc ducimus auras, Illa quoque in corpus pariter sorbere necesse est.’
Bladz. 69.
- Mooglijk zou geen pest op 't zuchtend aardrijk woeden, Maar 't onvervallen lijf zich-zelf voor 't smetgift hoeden, enz.
Alles op onzen Aardbol toont ons eene instorting van een vroeger en hooger bodem; alles in ons-zelven een verval uit eenen volkomener oorspronkelijken staat. Honderden hebben dit verval in het zedelijke opgemerkt, maar (men noeme het Geestdrijvery, zoo men wil!) voor my is dit zelfde ook in het lichaamlijke onmiskenbaar; en, verre van in den mensch eene volmaakbaarheid, waardoor hy zich uit een' oorspronklijken dieren- (of den dieren nabijkomenden) stand zou hebben opgeheven, te kunnen vinden, zie ik in hem een verduisterd en vervallen, doch niet geheel en al uitgeroeid overblijfsel van een in zijnen oorsprong hooger Wezen, der Geesten speelgenoot, zijnes Scheppers onmidlijken leerling, aanschouwenden bewonderaar, spiegel, en aanbidder. Zonder dit, is alles onoplosbaar, tot zelfs de overkunstige en tevens Hemelsch eenvoudige Spraak, welke hy nooit
had kunnen uitvinden, en de indrukken van waarheid, Godsdienst, en deugd, waar hy anders nooit toe had kunnen geraken: Met dit, is alles klaar, verstaanbaar, en duidelijk, en de te rugbrenging tot dien oorspronklijken staat, beide in hare mogelijkheid en moeielijkheid te begrijpen. Ik pas er de woorden van Pascal op: ‘Pour moi j'avoue, qu'aussi-tôt que la Religion Chrétienne découvre ce principe, que la nature des hommes est corrompuë et déchuë de Dieu, cela ouvre les yeux à voir partout le caractère de cette verité. Car la nature est telle, qu'elle marque partout un Dieu (zeggen wy, meer bepaald, un état) perdu, et dans l'homme et hors de l'homme.’
Wanneer men begint zich op 't innige der Taal toe te leggen, koomt men zeer natuurlijk op het spoor van Herder en Michaëlis; maar belachlijk worden hunne onderstellingen of inductien voor die dieper heeft doorgedrongen. Ik zeg dit op grond van eene bijna veertigjarige beoefening van dit vak, welke my getoond heeft, dat tot heden, noch de taal, noch het letterschrift recht gekend zijn geweest, daar niemand tot nog opgemerkt heeft dat in beide niets willekeurigs, niets conventioneels ten grond ligt, en beide noodwendig, van 's menschen eerste aanzijn af, hem bekend moesten zijn: waarom zy ook beide à priori te demonstreeren zijn. Klinkt dit in het oor van iemand, nog paradox, en hangt hy nog aan de valsche onderstellingen van overeenkomst, van overgang van voorgewende hieroglysen
tot letterschrift, (tegenstrijdigheden met het gezond verstand zoo wel als met de geschiedenis) hy vermete zich niet over 's menschen geest te oordeelen, want hy kent deszelfs aanleg en aart niet; en beslisse geen punt, dat, zoo duister het voor hem zijn moge, weldra zoo overtuigend bewezen zal zijn, dat het Nageslacht zich verwonderen zal dat men 't ooit miskend hebbe.
Het is even zoo gegaan met de Geologie. Oppervlakkige en deels ingebeelde waarnemingen leidden Buffon tot het besluit van eene schier eindelooze oudheid van den aardbodem dien wy thands bewonen. Dieper inzichten en juister opmerkingen gaven de Luc, Delomieu, Saussure, en anderen, het betoog in handen, dat hy geene vijf duizend jaren halen kan. - Geve de Hemel, dat de waarachtige kennis, op zuivere waarneming gegrond, zich vermeere! Zij de nasporing van 't Fysische des aardbols, zij de ware sterrekennis, zij de aart van het menschlijk verstand, zij onze zedelijkheid, zij ons lichaam recht doorgrond, recht verstaan, recht begrepen; 't zal ook hier zijn, opinionum commenta delet dies: en de onmiddelijke Openbaring (zonder welke de mensch niets zou weten, maar zelfs zijne Symbolische kennis ontbeeren,) zal met die van Reden, Natuur, en Zelfgevoel instemmen. Tot zoo lang, ja, zal het onverstand zich 't gezag der beslissing aanmatigen, en over mogelijkheid en onmogelijkheid ten aanzien van God en zijn Schepping uitspraak doen, gelijk het de Scho-lastique Godgeleerdheid der vroegere dagen over de Antipoden en het middelpunt van 't Planeetgestel deed.
Dan, zy die hier over, of bescheiden meesmuilen, of hartelijk uitschateren, zullen echter, vertrouw ik, deze tirade in mijn Dichtstuk nog wel, als eene soortgelijke, Pythagoras door Ovidius in den mond gelegd, laten gelden, in quantum possit naamlijk. Dat is als een Dichterlijke hersenschim. Men moet toch elkander wel iets inwilligen. Sommigen onzer verlichte geesten (en dit stelsel is sedert kort, by-zonder in Engeland, zeer geliefd) willen volstrekt uit Aapen gesproten zijn; dat zy my, en die met my denken, ook onze keus geven! - Het geen ik van de noodzakelijkheid en het voortbrengen van den ouderdom en van de dood uit ouderdom in dezen onzen tegenwoordigen stand zegge, zal, denk ik, hun beter bevallen.
Bladz. 75.
Zoo woedt een Pentheus, door Lyéüs wraak beroerd, Of moederslachtig kroost, enz.
Virgilius Aen. IV. v. 469, seqq.
‘Eumenidum veluti demens videt agmina Pentheus, Et solem geminum, et duplices se ostendere Thebas;
Aut Agamemnonius scenis agitatus Orestes, Armatam facibus matrem et serpentibus atris, Quum fugit, ultricesque sedent in limine Dirae.’
Bladz. 76.
Of Tyrus koningin, van minnewoên aan 't blaken, enz.
Virgilius, ibid. v. 453.
Cookies on Poetry Cove