Skip to content
1807

De ziekte der geleerden

Willem Bilderdijk

Tweede zang. Bladz. 28.

Daar 't, met de Grieksche hulk, geen Poolstar gadeslaat, enz.

Men zie mijne Starrenkennis, Mengelpoezy I. Deel bladz. 6. en Manilius, daar hy van de groote Beerin zegt:

‘Qua duce per sluctus Grajae dant vela carinae’.

En van de kleine:

‘Poenis haec certior auctor Non apparentem pelago quaerentibus orbem’. Astron. Lib. I.v. 13 et 16, 17.

Aldaar.

Als 't flikkrend reuzenbeeld, Dat met ontbloote knots den zuiderhemel deelt, En, steigrende uit de golf met vlammen in de handen, 't Gewelf beklautert om den melkriem aan te randen.

Men verstaat (hoop ik), zonder nadere opheldering, den Orion, wiens schitterend opkomen in der daad iets ontzettends heeft, en waarvan Manilius:

‘In magnam coeli tendentem brachia partem, Nec minus extento surgentem ad sidera passu’. Lib. I.v. 27, 28.

Wie kent den schoonen Lierzang des Dichterlijken Nieuwlands niet op dit gestarnte?

Bladz. 30.

't Een vloeit op het ander in, En vormt een' cirkel, die te rug draaft naar 't begin, enz.

Ik geloof de waarheid, hier voorgedragen, zoo zichtbaar en klaar te zijn, het zij men de Reden of de Ondervinding raadplege, dat zy door niemand, wat systema hy ook toegedaan moge zijn, te ontkennen is. Alhoewel ik haar dikwijls genoeg in den praktijk heb zien vergeten.

Bladz. 37.

Ga, breek den bijtel in des kunstnaars rappe handen, En vraag hem 't wonderstuk, enz.

Wie deze plaats leest, wensche ik dat beide den Apollo van Belvedere en den Laocoön gezien hebbe; niet in een afgietsel, dat op eene nabootsing gevormd was, als dikwijls by ons het geval is, maar in het oorspronklijk. Mijne verzen zullen daarby (dit gevoel ik) verliezen, maar 't gevoel dat zy inboezemen, eindeloos winnen. - Alhoewel ik (het moge vreemd schijnen, eenmaal zal men my toevallen) geen van beide voor werkstukken van den besten tijd der Grieksche Beeldhouwerykunst houden kan; waar van zy veellicht zeer goede Kopyen zijn. - Dit steunt niet bloot op de aanmerking van den voortreflijken Dolomieu ten aanzien van 't marmer van den Apollo, welke ik geene gelegenheid gehad heb voor my-zelven tot genoegzame blijkbaarheid te brengen, en waar van ik het gewicht derhalve daar late: maar ik grond my op eenige andere waarnemingen, hier niet op te halen. Wellicht koom ik eenmaal by geschikter gelegenheid tot dit onderwerp te rug, en dan zal het tevens blijken, waarom ik in mijne Mengelpoëzy bladz. 312 van een' Apollo van Polycletes heb kunnen spreken, het geen kunstkenneren vreemd heeft mogen schijnen. Laat ik hier in 't voorbygaan aanmerken, dat de doorkundige en in alles even naauwkeurige Oude Heer Fontein, mijne Verlustiging lezende, my eens aanmerkte dat men in Friesland, Overijssel, enz. niet bîtel met den scherpen langen i zegt, maar beitel - en dus ...! zei hy. De brave Grijzaart had gelijk, ook wil ik niet dat mijn voor-beeld anderen meêsleepe. Maar men zegt nog dagelijks, bijten voor kakken; en niemand schrijft in de beit vallen, als men van 't ijs gewaagt. Het thema des woords, hoe men 't neme, zal altijd eet zijn en blijven, en de beteekenis niet meer of minder dan klieven. En, ondanks de verwantschap der twee woorden, de beitel of bijtel is 't werktuig van batten niet (slaan), maar van bijten (klieven). 't Is de hamer, die 't eerste doet. Alhoewel men dan ook, als onderwerp van den slag des hamers beschouwd, den klievenden en afbijtenden meissel (dit woord is even zeer Hollandsch als mes, en koomt van maën, waarvan maaien en meten) naar dit batten zou kunnen noemen.

Bladz. 37.

Vraag hem de schoonheid, die van tien jaar oorlogsplapen, enz. Geheel een volk vertroostte en in verrukking bracht.

Men herinnere zich de verzen van Homerus:

᾽Ου νέμεσις, Τρῶας, καὶ ἐυκνήμιδας Αχαιοὺς Τοιῇδ᾿ ἀμφὶ γυναικὶ πολὺν χρονον ἄλγεα παςχειν. Il. III, v. 156, 157.

Men weet dat Xeuxis deze verzen tot opschrift stelde van zijn tafereel van Helena. Die zoo stout dacht, bracht gewis iets boven het gemeene menschenvermogen voort. Het wellustige van Rubens zoogenaamde schoone vrouwen is hier niets by. Ik zeg zijne zoogenaamde schoone vrouwen: zy zijn schoon gekleurd; maar dit is nog niet wat het woord schoon voor my insluit.

Bladz. 43.

Of aaklig mierennest, der landen wreedste straf.

Ik weet niet door welk toeval hier, onder 't drukken, de mieren de plaats der muizen ingenomen hebben. Waarschijnlijk deed dit de onduidlijkheid van mijn handschrift. Hoe het zij, daar dezen eenmaal buiten het bezit gebleven zijn, wil ik haar tytel tegen dien der zich ingedrongen hebbende mieren niet onderzoeken. Troosten zy zich met de schoone verzen van Vondel, die verder boven my zijn, dan hare grootte boven die harer onderkruiperen:

‘Toen schon de bouwplaegh flux een' watervloet van muizen Op Hollants kusten aan. Dit heir, in 't lang en 't bree, Geslingert staert aan staert, quam dryven over zee, Van 't Noorden op ons strant. Hier baet geen tegensportelen. Zy knaegen hoy, en gras, en klaver, met hun wortelen En groente en steelen, af. De geest des beemts verdwijnt. De lantheer, by gebreck van voêr en klaver quijnt’. Inwijding van het Stadhuis.

Ik twijfel echter of ook hier by Vondel niet een drukfeil ingeslo-pen zij. Doch, zoo het daar is, vind ik 't Schildery boven alle uitdrukking schoon, en onverbeterlijk.

Bladz. 43.

Niet anders is 't met ons, enz.

In den Vijfden Zang vindt men nog een hier toe betrekkelijk voorbeeld, ten aanzien van door prikling te sterk uitgelokte slijm en gal, met oogmerk van ontlasting steeds meer en meer voortgebracht. Zie bladz. 123.

Bladz. 45.

De misdaad van één lid, is 't algemeene wee.

Men zie de oorzaak hier voor, bladz. 30, en, in den Vijfden Zang, bladz. 110.

Bladz. 49.

De wijze waant zich-zelv' een garst- of tarwegraan.

Het voorbeeld is in een' onzer beroemde Geleerden bekend.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De ziekte der geleerden · Willem Bilderdijk · Poetry Cove