Skip to content
1666

Geloofs-liederen, dat is de Heidelbergsche ende Nederlantsche catechismus

Volkerus Oosterwyck

52. Vraghe. 4 Wat troost u, dat hy aen dien dagh(Die groot noch kleyn voorby en mach) Sal komen met der Englen schaer, Om recht te doen in ’t openbaer? Antwoorde. Dat ick in alle droefenis Die ’t kint Gods onderworpen is, 5 Met een verheven hooft, als dan

Ten Rechter sien sal mijnen man, Die van te vooren, soo gewondt Voor my in Godes Vierschaer stondt, En al den vloeck dien ick besat,

Op zijne Ziel geladen hadt; 6 Die zijnen Vyant, en de mijn, Sal werpen in de Helsche pijn, Daer wringingh wesen sal van d’handt,

En knerssingh van de scherpe tant; Soch my met ’t uytverkooren Volck By hem opnemen door een Wolck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.