52. Vraghe. 4 Wat troost u, dat hy aen dien dagh(Die groot noch kleyn voorby en mach) Sal komen met der Englen schaer, Om recht te doen in ’t openbaer? Antwoorde.
Dat ick in alle droefenis
Die ’t kint Gods onderworpen is,
5 Met een verheven hooft, als dan
Ten Rechter sien sal mijnen man,
Die van te vooren, soo gewondt
Voor my in Godes Vierschaer stondt,
En al den vloeck dien ick besat,
Op zijne Ziel geladen hadt;
6 Die zijnen Vyant, en de mijn,
Sal werpen in de Helsche pijn,
Daer wringingh wesen sal van d’handt,
En knerssingh van de scherpe tant;
Soch my met ’t uytverkooren Volck
By hem opnemen door een Wolck.