71. Vraghe. 5 Waer heeft ons doch Godts Lieve Soon belooft, Dat hy ons door sijn Geest, en roode plassen, Soo sekerlick sal reynigen en wassen, Als m’ ons wel eer gesprengt heeft op het Hooft?Antwoorde.
’t Geschiet, ter plaets daer hy dit Waterbadt
Heeft ingeset, en seyt, gaet doopts’ al t’samen
(Sy zijn dan waerse zijn op ’s werelts padt)
In ’s Vaders, ’s Soons, en ’s Heyl’gen Geestes namen;
6 Soo wie gedoopt sal zijn, en recht gelooft,
Die sal het heyl onfeylbaerlick be-erven,
En die soo niet en doet sal eeuwigh sterven,
En van dat heyl hem seker sien berooft:
Soo wert oock sulx belooft, alwaer Gods woort
Door zijnen Geest, en zijner knechten monden,
Het doopsel noemt het Badt der weer-geboort’,
En nevens dien, de reyningh onser sonden.