Skip to content
1666

Geloofs-liederen, dat is de Heidelbergsche ende Nederlantsche catechismus

Volkerus Oosterwyck

10 Vraghe. 3 Wil Godt die Ongehoorsaemheyt, En grouvvelijck’ Afvalligheyt, Soo sonder straffe laten heên gaen? Antvvoorde. O neen; want over ’t errif quaet, En ’t geen’ hy daeglix noch begaet, Wil hy, vertoorent, hem aen tween slaen;

4 Ja straffen boven dien, hier na Met ’t eeuwigh vier, en ongena, Met schrick, en een oneyndigh beven, Want doch, na dat de Wet het noemt,

Vervloeckt is hy, en gansch verdoemt, Die niet voldoet, ’t geen is geschreven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.