Skip to content
1666

Geloofs-liederen, dat is de Heidelbergsche ende Nederlantsche catechismus

Volkerus Oosterwyck

27. Vraghe. 1 Wat meent ghy hier door Gods Voorsienigheyt? Antvvoorde. Sijn over-al-byzijnde mogentheyt, Waer door hy ’t geen dit groote Al omvat, (Schoon yder een berent zijn eygen padt)

Alsoo regeert, en stuurt met zijne handen, Dat, wat ons oyt aentreffen mocht en vanden, 2 (’t Sy loof of gras, ‘tsy droogh of vochtigh weer, ‘t Sy spijs of dranck, ‘t sy rijckdom, smaet, of eer,

Gesontheyt, kranckt’, of wat het wesen mocht) Niet by geval ons oyt wert toe gebrocht, Maer eenelick van hem, die alle LAnden Behoet, regeert, en hout in vaste banden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.