Skip to content
1666

Geloofs-liederen, dat is de Heidelbergsche ende Nederlantsche catechismus

Volkerus Oosterwyck

62. Vrage. 1 Waerom en kan het doen der goeder vvercken, Die in ons oog soo blinckend’ sijn en schoon, niet stuckvvijs, of geheel, den Leen der KerckeVerstrecken tot betalingh voor Gods Troon? Antvvoorde. 2 Daerom, dat ’t geen bestaen sal voor ’t Gerichte Van Godt, die soo rechtveerdigh richt, en net, In het balans van ’t Heylighdoms gewichte

Moet staen, dat niet een aes stry met de Wet; 3 Daer andersins, oock onse beste daden Soo langh wy hier in desen leven zijn, Gansch onvolmaeckt, ja vol van kromme paden

En als een vuyl weghwerplick kleet en zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.