2 Vraghe. 4 Maer, wat staet u voor af nootsaeckelijck te weten,Op dat ghy onbeschroomt, en met een goet Geweten,In desen heyl’gen troost recht hartelijck verheught,Hier leven, en oock hier godzaligh sterven meught?Antvvoorde.
5 Hoe groot mijn’ sonden zijn, en alle mijn’ ellenden:
Hoe dat ick van dien ramp, voor dit mijns levens ende
Verlost, en vry gestelt sal werden heel en al:
En dan, hoe ‘k Godt daer voor recht danckbaer wesen sal.