Skip to content
1666

Geloofs-liederen, dat is de Heidelbergsche ende Nederlantsche catechismus

Volkerus Oosterwyck

28. Vraghe. 3 Waer toe of ons die kennis dienen sal, Dat Godt soo doet ontrent dit groote al? Antwoordt. Opdat, wanneer het gaet in wint en stroom, Wy d’ongedult vast houden by den toom; En, als ’t ons gaet voor wint en na begeeren, Wy danckbaer zijn den Heer van alle Heeren; 4 End’ in het geen’ ons noch toekomend’ is, (’t Sy goet of quaet, ‘t sy licht of duysternis) Wy allesins volduuren in het goed’, En nimmermeer doen vallen onsen moet Maer steets op hem als onsen Vader, bouwen, En onverset dit vastelick vertrouwen, 5 Dat niet, (oock selfs het zwaerste ongeval)

Ons van zijn trouw’ en Liefde scheyden sal, Vermits al ’t geen daer is, soo vast verpandt En eeuwigh leyt gesloten in zijn handt, Dat tegen zijn besluyt, zijn wil, en wegen, Sich niets en kan verroeren, noch bewegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.