Skip to content
1870

Gedichten

Virginie Loveling

II.

Sinds was zoo menig jaar verloopen; Zij zaten rond het open vuur, Bij 't lamplicht, in de warme kamer, In 't huislijk winteravonduur.

Hij staroogt in de roode kolen, Terwijl hij stil inwendig lacht, Als weggedwaald in zoete droomen. Toen vroeg zij hem waaraan hij dacht?

- O, aan de zee, de zomervreugden, Aan 't vroolijk reisje, sprak hij nu, Dat wij eens met de kindren deden, In 't badseizoen, herinnert ge u?

- Ja, sprak zij, in den warmen zomer, Die schoone reis vergeet ik nooit, En al die duizend vreemdelingen, Zoo bont gekleed, zoo rijk getooid.

En hoe de kindren ginder speelden! Zoo lief als englen waren zij, Dat aller oog hen achtervolgde; Helaas, het is nu ook voorbij.

Vervlogen tijd, wat schijnt gij zalig! Zoo zaten zij in stillen kring, Te kouten, in den winteravond, En leefden in herinnering.

De dochter had dat al vergeten. - Gij waart toen nog geen drie jaar oud; Het ware een wonder, sprak de moeder, Dat gij er iets van weten zoudt.

Toen sprak de zoon, zich half herinrend, Mij dunkt, ik weet nog iets van 't strand, En dat wij door den regen gingen, En dat ik weende aan vaders hand.

- O gij vergist u, riep de vader, Nooit zag ik schooner zonneschijn, En zij: gij zat met ons aan tafel Zoo wijs als groote lieden zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten · Virginie Loveling · Poetry Cove