II.
Zij brachten hem naar het verre,
Het verlaten eiland heen,
En liet hij zulks geschieden?
En is hij hier gansch alleen?
Eens ging hij zoo vertrouwend
Zijn sombre toekomst in.
Wat is van zijn zoontje geworden,
En wat van de keizerin?
Zijn oog zweeft op de baren,
Aan 't bruisende, aan 't wilde strand,
En kijkt nog in de richting
Van zijn verloren land.
Dat is de trotsche keizer,
De groote wereldheer.
Wat hoopt hij nog van de toekomst?
Hij heeft geen toekomst meer.
En wat hij misdeed in 't verleden,
Dat heeft hem hier gebracht.
Zijn levensdag is ten einde,
Nu komt de sombre nacht.