II.
Hij spreekt van haar zoo zelden,
En denkt zoo veel aan haar;
Zij ging uit vaders woning,
Zij was maar zestien jaar!
Och, 't water zoekt de dalen,
Het loof zwerft met den wind;
Wat zegt gij aan het noodlot:
Laat mij mijn eenig kind.
Hij zag voor haar de toekomst
Zoo kommerloos en hel,
En ze is zoo jong gestorven
In hare kloostercel.