II.
In huis zit de oude vrouw te spinnen,
De hond strekt zich voor 't houtvuur uit,
De roode vlam verlicht het huisje
En schittert op de groene ruit.
De hond kwam zachtjes voor haar zitten,
Hij keek haar aan, zijn steert bewoog;
‘Ja, 't kind is heen,’ zoo zuchtte de oude,
Een heldre traan in 't duister oog.
‘Het is een engeltje in Gods hemel,
Arm dier, hij weet van wien ik spreek,’
Zeî zij, terwijl ze traag heur vingren
Langsheen zijn gladde haren streek.