52.
De wapenen, zóó schitterend weleer,
Zijn somber nu en gruwelijk voor de oogen.
't Staal heeft geen glans, het goud geen stralen meer,
De lieflijkheid der kleuren is vervlogen.
In 't slijk vertrapt, ligt franje en zwanenveêr,
Zoo vrolijk eens op d' ochtendwind bewogen.
Met bloed bevlekt, met stuifzand overspreid,
Verdween aldus der Legers heerlijkheid!