88.
Reeds murmelt hij het machtig tooverwoord,
Dat de Acheron niet zonder schrik kan hooren.
Reeds wordt de loop der middagzon gestoord
Door nevelen, waarin heur stralen smoren:
Daar valt een slag, daar rolt een donder voort,
Een halve berg ploft neder uit den toren,
Verplet Ismeen en 't gruwzaam heksenpaar,
En mengelt bloed en leden door elkaâr.