68.
Nog sterft hij niet: hij heeft zijn wee, hoe groot,
Naar d' achtergrond van 't brekend hart gedreven.
En zoo hij haar door 't ijzer heeft gedood,
Nu geeft hij haar door 't water eeuwig leven.
Het ‘Amen’ ruischt. Naar 't hemelsch morgenrood
Houdt zij den blik glimlachende opgeheven,
En 't is als spreekt in zalig zielsgenot
Heur brekend oog: ‘Vaarwel! ik ga naar God!’