27.
Maar als het uur der minnaars en der dieven
Den sluier werpt op 's hemels aangezicht,
Hereent de gaard de juichende gelieven,
Bij 't wenken van 't vertrouwlijk starrenlicht.
Thands - moog' haar ook het daaglijksch afscheid grieven -
Spoedt zich op nieuw Armide tot heur plicht;
En 't Ridderpaar, van 't prachtig staal omtogen,
Staat onverwachts voor Reinouts pinkende oogen.