96.
Als hij de plek bereikt, waar 't Doodsgebied
Het leven van zijn leven zal verstikken,
Blijft hij verstomd, verbleekt, verroert zich niet,
Om starende op den killen steen te blikken;
Tot eindlijk hem een tranenstroom ontschiet,
Een klagend: ‘Ach!’ gevolgd door bange snikken.
Hij nokt: ‘O Graf, dat al mijn tranen vergt,
En al mijn gloed in uwen schoot verbergt!