131.
‘Gij, altijd wreed, in 't scheiden en in 't keeren!
Wat voert u hier, in deez' mijn doodswoestijn?
O wonder! gij zoekt mijn verderf te weeren?
Mijn moorder redt mijn leven! Kán dat zijn?
Spreek! op wat wijz' wilt gij Armide onteeren?
Wat smaad denkt gij haar toe, wat nieuwe pijn?
Mijn toovermacht zal ik wel nimmer derven:
Maar niets vermag, die niet vermag te sterven!