46.
Dien Reinout! ... wie ter waereld kent hem niet?
Hem en al 't geen zijn waanzin heeft misdreven?
Hij is 't, die sints zoo gruwzaam mij verried,
Dat ik mij schaam geschandvlekt voort te leven.
Mijn lust bestemt wat reeds mijn plicht gebiedt;
De woede heeft me een arm van staal gegeven -
Hij ondervind' van welken gloed ik blaak!
En nu - niets meer! genoeg! ik dorst naar wraak.