45.
'k Verbeeldde mij in mijn hoogmoedig weten,
Dat ik nu al des Scheppers wonderdaân
Doorgronden kon, Zijn eeuwige almacht meten,
De draden van Zijn weefsel gadeslaan.
Maar Peter kwam, en trof mij in 't geweten;
En doopte me en genas mij van mijn waan.
Toen voelde ik eerst, hoe blind, hoe onvolkomen
Dat kennen is, waar wij zoo trotsch van droomen.