66.
De razernij, die in hunne aadren bruist,
Drijft meer en meer het Heidenpaar naar voren:
Men brengt hun vuur: met fakkels in de vuist
Berennen zij den waggelenden toren.
Zóó vliegen Plutoos dienaars onbezuisd
Ten Orkus uit: de zwaveltoortsen gloren
In hun gekromde klaauwen; 't slanggebroed
Omsist hun 't hoofd; de grond splijt voor hun voet.