81.
Ook Normandyëns heirvoogd wordt verslagen,
Daar hem een rotsklomp tegen 't voorhoofd vaart:
Hij ploft ter neêr met reutlend jammerklagen,
En kronkelt als een worm zich over de aard.
Zoo grooten hoon kan Godfried niet verdragen:
In blakerende gramschap grijpt hij 't zwaard,
En kloutert op de puinen, waar al spoedig
Een maalstroom woelt van strijders, wild en bloedig.