110.
De Jonkvrouw heeft zijn zacht gekerm verstaan:
Dat schijnt heur ziel een zweem van troost te geven.
‘Och, Tankred!’ snikte ze, ‘och, dierbre! zie mij aan,
Mijn tranenstroom, mijn vreezen en mijn beven!
Ik wil met u den langen reisweg gaan,
Ik ben gereed om aan uw zij' te sneven!
O, zie mij aan! ontvlucht mij niet zoo snel!
Dat is mijn laatste beê: nog geen Vaarwel!’