78.
Maar wáár, helaas! wáár bleef het overschot
Dier hemelschoone en kuische maagdenleden?
Misschien verscheurt een hongrig wolvenrot
Wat vruchtloos door mijn moordstaal werd bestreden.
Veel te eedle buit! te zoete spijze! O God,
Beveilig Gij zooveel beminlijkheden,
Eerst door mijn eigen zwaard, nu door den tand
Der dieren, ach! te schennig aangerand!