26.
Al snikkend zag ze ons tot de vlucht bereid,
En bad ze mij uw dagen te beschermen.
Hoe schets ik u de smart, de raadloosheid,
Waarmeê ze keer op keer u prangde in de armen!
Met tranen, heet en bitterlijk geschreid,
Besproeide zij haar kussen onder 't kermen.
Daar kreet ze in 't eind, tot stervens toe bedroefd:
“Verhoor me, o Gij, die hart en nieren proeft!