6.
En de andre spreekt: ‘Die glans, die stralenkring,
Die uw gelaat zoo wondervol omzweven,
Verbijstert zóó mijn oude erinnering,
Dat ze al te traag uw trekken doet herleven....’
Nu houdt hij naar zijns harten lieveling
Tot driemaal toe zijne armen opgeheven,
En driemaal is 't, alsof een ijdle lucht,
Een schim, voor d' indruk zijner vingren vlucht.