33.
Geen oorlogspijl, 't gespannen koord ontvaren,
IJlt sneller voort dan de ongestuime vloed.
Maar als die beide op de open golven staren,
Daar zweeft hun, ziet! een grijzaard in 't gemoet.
Een beukentwijg omkranst zijn zilvren hairen,
Zijn sneeuwwit kleed golft neder tot den voet;
Hij zwaait een staf, die 't oorverdoovend klaatren
Des vloeds bezweert; en wandelt op de waatren.