38.
In weêrwil van uw moeders smeekgebed
Voedde ik u op tot wat ik was: een Heiden.
Gij voerde 't zwaard, besteegt het krijgsgenet,
En overwont natuur en kunne beiden.
Zoo volgdet gij de onrustige trompet,
Zoo zaagt ge u roem en rijkdom toebereiden.
Gij weet het, en gij weet ook dit: altijd
Bleef u mijn dienst, mijn vadertrouw gewijd.