27.
Gij kent mijn ziel: hebt gij haar rein bevonden,
En ongerept de kuische huwlijksvlam,
Zoo bid ik - niet voor mij! want andre zonden
Bezoedlen mij - maar voor dit schuldloos lam!
Bewaar, o God! mijn dochtertje' ongeschonden,
Wie 't lot zoo vroeg de moederborst ontnam!
Zij leve! en volge in mij een voorbeeld, Heere,
Zoo niet van heil, dan toch van deugd en eere!