99.
Maar de oude vlam rees bruischende in mijne aadren,
Als de eerste vrees ter naauwernood verdween.
Ik zocht op nieuw mijn dierbren Held te naadren,
En 't wis gevaar vervolgde op nieuw mijn schreên.
Wel deed de nood mij al mijn kracht vergaadren,
Vergeefs! mijn ros zeeg ademloos in een.
Zoo werd ik door de Egyptenaars gegrepen,
En zag me als roof naar Gazaas muren sleepen.