97.
Hij sluit het oog, verblind door zooveel stralen,
Ontsluit het weêr - maar 't vizioen verdween.
Slechts ziet hij, dat de zijnen zegepralen,
Voortklimmend, met de glorie op hun schreên,
Dat Reinout ginds de Halve Maan doet dalen,
Dat de anderen hem volgen, één voor één;
En plotseling, van ongeduld aan 't branden,
Rukt hij de kruisbanier uit 's vendrigs handen.