38.
Zóó sloegen zij de Perzen; maar nog meer
Sloeg Samarkandes Vorst de Christen benden:
Want ruiterij en voetvolk wierp hij neêr,
Waarheen hij zich met zwaard en paard mocht wenden.
En wèl hem die 't bestierf, en niet veeleer
Den paardenhoef moest dulden in zijn lenden!
Want wie den dood door 't lemmer was ontsnapt,
Die werd door 't ros gebeten en vertrapt.